Lieve H.,

Het verhaal van Orfeo en Eurydice, dat ken je vast wel. Het geluk van de twee geliefden was kort. Eurydice werd gebeten door een adder en stierf. Vervuld van smart daalde Orfeo af in de onderwereld en met zijn muziek wist Orfeo de goden te ontroeren. Orfeo mocht Eurydice weer meenemen op voorwaarde dat hij niet zou omkijken voordat ze het zonlicht weer bereikt hadden. Orfeo kon echter de verleiding niet weerstaan, keek om en zag hoe zijn geliefde weer naar het schimmenrijk werd getrokken, nu voor eeuwig.

Ik ben geen Orfeo en jij geen Euridyce, maar toch wordt de H. bovenaan deze brief steeds meer een schim, de H. van herinnering, want ik kan het omkijken niet laten. Bovendien ben ik niet zo'n begenadigd musicus als Orfeo, ik kan slechts op mijn onbeholpen wijze brieven schrijven en hopen dat het op één of andere manier weerklank vindt in de nevelen van de onderwereld. Zo besta je nog voor mij, in ongeschreven brieven, brieven die in mij opkomen terwijl ik wandel. Vooral in deze tijd, zo tussen Sinterklaas en Kerst, als jouw verjaardag weer nadert, exact tussen de twee feestdagen in. De tijd ook waarin ik in een ander leven de boeken van Brouwers las en vooral zijn brievenboeken Kroniek van een karakter.

Nee, ik verlang niet terug naar dat andere leven, want zoals ik al eens eerder heb geschreven, ik ben gelukkig nu. Waarom dan toch steeds omkijken? Omdat die tijd toch nog steeds een onderdeel van mij is? Omdat de melancholie zoveel schoonheid bevat? Wat is het dat ik wil vasthouden terwijl het steeds verder vervaagt in de tijd? Zo geweldig was die tijd ook weer niet. Of is het – om maar eens een cliché uit de kast te halen –, omdat je je eerste grote liefde nooit vergeet?

Soms ruik ik het nog, H., dat huis in Bosch en Duin, dat huis dat in een andere tijd thuishoorde. Als ik mijn best doe zie ik mijn studentenkamer nog voor mij en hoor ik de stilte. Het was een leven Zonder trommels en trompetten. Daar las ik jouw brieven en schreef ik de mijne. Sommige mensen gaan drinken, ik heb daar geen talent voor. Andere mensen schrijven.

schrijven is als drinken
geen kou geen tijd
geen honger voelen
overmoedig al het licht
dat door het raam komt
vatten, de lente voelen
voor ze komt, opgraven
wat verborgen is
handlezen, openmaken
delen

schrijven is als drinken
om niet alleen te zijn

Ik ben geen drinker, toch vrees ik de ontnuchtering. Of was het veeleer zoals de Grote Denker het ooit schreef:

Goede briefschrijver. – Hij die geen boeken schrijft, veel nadenkt en in onbevredigend gezelschap leeft, zal gewoonlijk een goede briefschrijver zijn.

Ik leef niet meer in een dergelijk gezelschap, ik heb nu geliefden om mij heen. Toch is dat niet de reden dat ik je steeds minder schrijf. Het is de wetenschap dat met elke brief jij steeds verder verdwijnt in het niets. Je beeltenis lost op in de mist, je stemt verstomt in de ruis en je naam wordt steeds meer slechts een herinnering. Wanneer ik in januari weer over de snelwegen raas naar de westkust om daar een schaaktoernooi te spelen, dan passeer ik weer je woonplaats. Dan glimlach ik even en denk: dag H., het ga je goed H. Ondertussen weet ik, dat degene die ik groet er niet meer is.

En toch, heel soms, als ik mooie muziek hoor, dan ben je er weer even. Dan zijn de goden me even gunstig gezind. Dan mag ik even een flard opvangen uit het schimmenrijk. Het is goed zo.

Ik hoop dat je een fijne verjaardag hebt binnenkort. Dat je de Kerstdagen mag vieren met jouw geliefden, zoals ik met mijn geliefden.

vaarwel,
jwl

PS: o ja, je wilt natuurlijk weten wie ik nu weer allemaal geciteerd heb. Dat gedicht, dat zou je onderhand moeten weten, is van Miriam Van hee. Het staat in Het verband tussen de dagen op blz. 207. De Grote Denker is Friedrich Nietzsche en dit schreef hij in Menselijk, al te menselijk, aforisme 319 in het eerste deel.