Tussen de hoofdsteunen door zag ik haar zitten. Haar mooie arabische ogen straalden terwijl ze in gesprek was met haar reisgenoot. Toch leek haar vrolijkheid iets te verbergen. Gezien de flarden van het gesprek die ik opving, spraken ze over zin en onzin van het leven. De oppervlakkige woorden van de jongeman pareerde ze met opmerkingen die al een veelbewogen leven verraadde.

Ik las ondertussen verder in mijn lectuur. Erik Jan Harmens bespreekt de gedichtenbundel Resistent van Saskia de Jong in De Groene Amsterdammer. Onderdeel van de bespreking is het gedicht Meisje van sap:

neem mijn hand, ik ben het kind
kijk, met net grote ogen
ik zal houden wat je terug wilt horen
ik zal onthouden wat je terug wilt en
niet horen ze vergeet je graag
en niet horen waar

ik hang niet op de bank ik lees en wees
stil ik weet het
lach breed ik lach veel
stil ik lach nu ook nog
waar zit ik mis te verstaan te glimlachen

graag weet ik ik zal niet hangen
opgewekt uitgerukt het laatste oog
en met verbrande vingers speel ik viool

Na de laatste zinnen van de bespreking – Pijn beschrijf je niet door te schrijven: ik heb pijn. Pijn beschrijf je door te zeggen: ik lach veel. – kijk ik op en zie de mooie ogen onder het hoofddoekje weer. De trein rijdt het station binnen en ik hoor haar nog net zeggen: Als je heel goed nadenkt, weet je wie je bent. Meer zeg ik niet. Ik wil me omdraaien om nog iets te zeggen, maar ik moet mee met de massa. Naar buiten.