Wat de jaaroverzichten op televisie zijn, de top-zoveels op de radio, dat zijn de lijstjes in weblogland. Overal doemen ze weer op: mijn beste top-10 aan muziek, film, misschien zelfs ergens een top-5 van boeken. Ik kan er helemaal niets mee, de betekenis van dit soort lijstje ontgaat mij volkomen. Moet het iets zeggen over de samensteller van het lijstje? Is het onderdeel van zijn of haar imago? Dat zou toch van een enorme treurigheid zijn. Moet ik iemand aardiger, boeiender, interessanter vinden omdat zijn muzieklijstje mij aanspreekt? Wat zegt het mij dat meneer X dit op nummer 1 heeft staan of dat mevrouw Y die film het beste vond het afgelopen jaar? Helemaal niets! O, ik kan de hang naar ordening en duiding wel begrijpen, maar de wildgroei aan onbeduidende lijstjes voegt daar niets aan toe.

Nee, liever zou ik lezen over dat ene boek of dat ene muziekstuk, dat ene gebouw of museum, of misschien wel eenvoudigweg een gebeurtenis of ontmoeting. Maak er een verhaal van, geef aan waarom u dat altijd zal herinneren en waarom het verbonden zal blijven met 2007. Daar kan ik iets mee. Dat ene, wellicht unieke verhaal zou iets over uw persoonlijkheid zeggen, veel meer dan een dom nietszeggend lijstje.

27.12.2007

Zijn vriendelijke, sympathieke kop prijkte afgelopen vrijdag voor op de boekenbijlage van het NRC: Alberto Manguel. Ik heb genoten van zijn Geschiedenis van het lezen en zijn Dagboek van een lezer. Alleen Kunstlezen staat nog ongelezen in de kast. Omdat het over beeldende kunst gaat, daar heb ik nu eenmaal minder belangstelling voor.

De boeken gaan over een gedeelde passie: lezen. En wie van lezen houdt, houdt van boeken. Daar zit wel een verschil tussen mij en Manguel. Hij is behoorlijk bibliofiel, ik niet. Boeken doen iets met mij, maar ik ben zeker geen verzamelaar. Ik zou een boek nooit louter als object kopen, de inhoud komt bij mij altijd op de eerste plaats. Ik loop wel eens een tweedehands boekwinkel binnen of ik bezoek een boekenmarkt, maar voor boeken die niet meer nieuw te vinden zijn. Mijn boekenverzameling is dan ook niet bijzonder, het bestaat uit boeken die op mijn weg komen en zijn geen resultaat van een verzamelwoede.

Er is nieuw boek van hem vertaald: De bibliotheek bij nacht. De liefde voor boeken en de kunst van het verzamelen.

Wordt Manguel niet moedeloos van alle boeken die hij niet kan lezen? „Nee, zoals ik schrijf in De bibliotheek bij nacht: ik voel me niet schuldig tegenover de boeken die ik niet gelezen heb. Ik heb ze heus allemaal wel eens opgeslagen, en ik vertrouw er op dat mijn boeken over een oneindig geduld beschikken.
(...)
Ik heb ooit geschreven dat iemands bibliotheek zijn Doppelgänger is. Mijn bibliotheek bevat alles wat ik ben of wat ik denk dat ik ben; hij is gevormd door het gebruik dat ik van hem heb gemaakt. Dus kan ik rustig sterven, want hij zal het leven overnemen dat ik verlaten heb. Ik kan alleen maar zeggen: It has been been a wonderful read. Iemand zal mijn dood wel even moeten melden aan mijn boeken. Wat dat betreft is de bibliotheek net als een bijenkorf. Als de imker sterft, moet iemand het aan de bijen gaan vertellen.”

Pieter Steinz De beste boeken zijn mislukkingen in: NRC Handelsblad. Boeken 14.12.2007, 2

Een dergelijke liefde voor boeken is mij, uiteindelijk, toch vreemd. Ik ben wel blij met mijn boeken, ik vind het een mooie en geruststellende aanwezigheid in mijn huis. De boeken verwijzen naar een wereld die ik in het dagelijks leven zo node mis: een wereld van denken, creativiteit met taal, vormgegeven emotie, een gesprek dat doorgaat in de tijd. Door mijn boeken voel ik me verbonden met een traditie, een voortgaande zoektocht naar antwoorden op vragen, waarbij menig schrijver heel goed weet dat het gaat om het bewandelen en niet om het aankomen.

Met elk boek deel ik een geschiedenis. Ze verwijzen naar perioden in mijn leven of naar mensen die me een boek cadeau deden. In die zin, inderdaad Manguel, zijn boeken een onderdeel van mijn identiteit geworden. Ik zou ze niet graag missen. Maar mijn boekenkasten zijn geen dubbelgangers van mezelf, dat is niet mogelijk.

18.12.2007

brieven aan H. (3)

Lieve H.,

Ik verlang naar sneeuw. Echte sneeuw. Niet alleen omdat het sneeuwlandschap zo mooi kan zijn, of omdat het licht zo anders is met sneeuw, maar vooral omdat het zo mooi klinkt. Hoe je schoen langzaam een stukje in de sneeuw zakt en bij het afrollen van de voet zo'n zacht gekraak laat horen. En dan de andere voet. Kraak, kraak. Kraak, kraak. Het lijkt allemaal zo lang geleden. Hebben wij wel eens samen in de sneeuw gelopen, jij en ik? Ik kan het me niet meer herinneren.

Ik wil elk detail ontdekken, de microscopische werkelijkheid, de geheime schoonheid van het leven, die uniek en persoonlijk is, en alleen waar is voor elk van ons afzonderlijk. Het is hierom dat ik schrijver ben geworden: omdat ik al in mijn kindertijd ontdekte dat ik anders tegen de dingen aankeek dan alle anderen. In het bijzonder heb ik me altijd aangetrokken gevoeld tot wat voortdurend veranderd. Watervallen bijvoorbeeld: die blijven nooit hetzelfde, zelfs geen moment. En, verder, mierenhopen, geisers, de onvoorspelbaarheid van gekkenhuizen... En het is goed zo. Het is goed om je altijd, wat er ook gebeurt, te kunnen laten betoveren. Op zekere dag ben ik begonnen mijn vervoeringen aan anderen te vertellen. Waarom ik dat heb gedaan, weet ik niet. Maar de vreugde die ik bij mijn ontdekkingen ervoer, was zo groot dat het idee om ze voor mezelf alleen te houden moeilijk te verdragen was. Pijnlijk zelfs. Ik herinner me dat ik bang was om belachelijk gevonden te worden. En toch heb ik het gedaan. Waarom? Wat wilde ik ermee bereiken?

Nicola Lecca Bijna alles ontgaat ons in: Nexus 48, 40

Ik had nog nooit iets van deze jonge Italiaanse schrijver gelezen toen ik gisteren aan zijn essay begon. Voordat ik de eerste bladzijde had uitgelezen, wist ik al: dit is een schrijver naar mijn hart, hier moet ik meer van lezen! Liefde bij de eerste lezing.

Is het zijn milde toon, die mij zo aanspreekt? Zijn oog voor het kleine? Ik weet het niet zo goed. Ik denk dat ik een bepaalde kijk op de wereld herken, zonder nu precies te kunnen zeggen waar die herkenning plaatsvindt. Delen we wellicht dezelfde gevoeligheid voor de wereld om ons heen?

Daarom schrijf ik. Niet om te onderwijzen, niet om uit te leggen, noch om te overtuigen of om iets te bestrijden. Ik schrijf omdat ik ervan overtuigd ben dat de vervlakking van ons bewustzijn en ons verstand noodzakelijkerwijs een verlies betekent aan vrijheid, en bovendien een voorbode is van iedere vorm van slavernij en iedere vorm van totalitarisme. Kortom, ik schrijf opdat iedereen erbij stilstaat dat we niets weten van de wereld waarin we leven. (...) Zelden nemen we de moeite om een nieuwe waarheid te ontdekken. Om die reden heb ik, toen ik als kind merkte dat ik spontaan tot op de bodem van de wereld kon kijken, begrepen dat het mijn taak was om mijn ervaringen verder te vertellen: mijn momenten van verrukking, maar ook van verdriet, die deze extreme gevoeligheid met zich meebracht.

idem., 41

Hoe lang hebben we elkaar niet gezien? Zestien, zeventien jaar? Herinner jij nog de laatste keer? Ik zie me nog die straat uitlopen in Haarlem waar jij pas was gaan samenwonen. Ik dacht: dit kon wel eens de laatste keer zijn. Ik draaide me om om je nog eenmaal te zien, maar je ging al naar binnen. Meestal bracht je me naar het station, ditmaal niet, dat was al een teken.

Morgen word je ook veertig. Veertig! Ik weet dat je ondertussen gescheiden bent, twee kinderen hebt en misschien een nieuwe relatie. Ik hoop dat laatste voor je, want alleen zijn is niets voor jou.

Door jou ontdekte ik wat verliefdheid is en ik dacht, dat ik van je hield. Ik heb ondertussen geleerd wat houden van is en ik leer nog elke dag bij als ik thuis kom, uit mijn werk, mijn fiets voor het huis plaats en naar binnen kijk, mijn kinderen zie en mijn vrouw. Dan ben ik verliefd en veel meer nog, ik houd van ze!

Nee, ik mis je vriendschap, nog altijd! De spiegel en het klankbord. Dat ik niet hoef uit te leggen. Jij zou ogenblikkelijk begrijpen wat ik in die Lecca lees en dat ik zou willen schrijven wat Lecca schrijft. Maar ik kan het niet, al doe ik nog zo mijn best.

En ik mis onze gesprekken, H., die urenlange gesprekken. Over mensen, boeken, muziek, kortom: alles wat ons bezighoudt. Er zijn anderen met wie ik daarover kan praten, maar ik kan het met niemand zoals met jou. Dat konden we al op de dag dat we elkaar ontmoetten. Zullen we, als we kunnen horen dat het gesneeuwd heeft, als het weer kraakt onder onze voeten, even aanelkaar denken? Even maar?

Ondertussen schrijf ik dan wel brieven, brieven die gedoemd zijn onbeantwoord te blijven. Die mis ik nog het meest, je brieven. Ik zou willen dat je me schreef! Verder niets. Ik verlang naar sneeuw. Echte sneeuw.

Maak er een mooie dag van morgen!
Het ga je goed!
jwl

14.12.2007

Keizersgracht! zo klonk het door de intercom van de tram. Het drong maar langzaam tot mij door. Keizersgracht?! Ik keek naar buiten en zag de gevels en bedacht me ineens dat ik uit moest stappen. Brandt het stoplampje al? Heb ik nog tijd om op de stopknop te drukken? Zijn we er al? Ietwat verdwaasd deed ik snel het boek in de tas. Tijd om de tas te sluiten had ik niet meer.

Toen ik gehaast uitstapte bij de halte waar ik elke werkdag uitstap wanneer ik 's ochtends de tram neeem, toen drong het tot mij door. Ik moest glimlachen om mijn lichte paniek van daarnet. Dat was lang geleden! Dat ik de wereld op een dergelijke wijze vergat door een boek! De nieuwe bundel van Jan Baeke heeft het voorelkaar gekregen.

12.12.2007

Ook de weblogwereld zit vol met spiritueel geneuzel. Hoe goed bedoeld al dat religieuze gewauwel ook is, het is doorgaans kitsch van de slechtste soort. Veel mensen hebben ineens spirituele ervaringen. Het lijkt wel alsof men geestelijk kapitaal probeert te verzamelen om daarmee Iemand te zijn in de wereld van de cursussen meditatie, workshops je innerlijke oog of weet ik veel wat er allemaal wordt georganiseerd om mensen het geld uit de zakken te kloppen.

Maar wat is het nu precies wat me stoort? Ik ben immers zelf ook niet vies van religieuze teksten, muzieken en afbeeldingen?

Is het misschien het taalgebruik? De taal van positieve energie uitstralen, van het leven in het hier en nu? Van het gezeur over andere dimensies, engelen of kabouters? Van de communicatie met een andere werkelijkheid, boven, onder, achter, binnnen ... keuze zat zou ik zo zeggen.

Of is het het negatief beoordelen van opvattingen die je ego kan hebben. Het feit dat opvattingen een juiste manier van kijken in de weg zou staan, de weg naar verlichting. Het zou maar tot scepticisme of zelfs, o gruwel, tot cynisme leiden. Dat is niet fijn, dat moeten we vooral niet hebben. Nee, je ego moet je wantrouwen, het verdeelt de wereld en dat is niet goed voor de vermeende eenheid, de boeddha-natuur, de verbinding tussen al wat leeft, voor je zen. Stel je voor zeg. Natuurlijk, je moet je eigen weg bewandelen. Als dit jouw weg is, nou ja, dan zal het wel goed zijn, maar beter is positief te denken. Jawel, positief denken. Exit ratio, exit ego.

Mensen die gewend zijn stilte en bezinning buiten zich te zoeken, in de natuur, in zogenaamde diepgravende gesprekken, bij spirituele samenkomsten, of bij creatief-therapeutische cursussen waar je na elke oefening, dans, tekening of boetseeropdracht moet zeggen wat er bij je bovenkwam, die al op school geleerd hebben dat er na het kijken naar kunst of het beluisteren van muziek meteen een gesprek volgt over de associaties die je erbij had, over de persoon en boodschap van de kunstenaar ... die mensen spreken vaak in een volkomen zielloos jargon. Ze papegaaien elkaar na in zinnen als 'Ik moet het verdriet nog een plekje geven', 'Ik moet nog iets meer naar mijn gevoel leren luisteren'.
De totale vertherapeutisering zorgt ervoor dat mensen steeds minder origineel worden en innerlijk steeds eenvormiger.

Désanne van Brederode Zelf stilte zijn in: H.J.A. Hofland (red.) De grote stilte, 18

Zou dat het zijn? Die innerlijke eenvormigheid? Ik moest terug in mijn herinnering naar dat bankje onder die boom in Taizé (zie 671). Al die Taizé-gangers die ik voorbij zag trekken – ik noemde het een maskerade –, ze gingen allemaal zo op elkaar lijken. Ze spraken steeds meer dezelfde taal, dezelfde frasen. Het had iets totalitairs, het was vervreemdend en schokkend. Soms denk ik wel eens, dat ik daar onder die boom naast de kerk een anti-verlichting heb ervaren. Al die wegen naar verlichting, de deuren en luiken die ernaar open zouden kunnen gaan, ze bestaan niet. Er gaat niets open, er is geen andere dimensie, er is geen doel. Er zijn 'slechts' onbeantwoorde vragen (waarom!) en dat is prachtig. De creatieve antwoorden daarop moeten schrijnen en schuren, verontrusten, wakker schudden. Laat het zo blijven, laat het een kunst zijn.

6.12.2007

In zijn boek De geschiedenis van het lezen besteedt Alberto Manguel er een heel hoofdstuk aan: lezers in stilte. Stil lezen is niet altijd gebruikelijk geweest. Lange tijd is zwijgend lezen eerder ongewoon geweest.

Ambrosius was een uitzonderlijk lezer. 'Wanneer hij las', schrijft Augustinus, 'liepen zijn ogen over de bladzijden, en zijn hart doorzocht de betekenis, maar zijn stem en tong rustten. Dikwijls wanneer wij erbij waren – want het was niemand verboden binnen te komen, en het was ook niet de gewoonte iemand aan te dienen – zagen wij hem zo zwijgend lezen en nooit anders.'

Alberto Manguel De geschiedenis van het lezen, 58

Ik herinner me hoe mijn grootmoeder, zittend in haar stoel voor het raam, prevelend de Bijbel las. Ik kon het niet verstaan, maar ze las ook altijd met haar mond, alsof ze zichzelf de woorden hardop voorlas. Woorden die voor haar zeer veel betekenis hadden. Als kleuter vond ik dat maar eigenaadig en ook een beetje eng.

De verinnerlijking van het lezen, zo zou men de toenemende gewoonte van het zwijgend lezen kunnen noemen. In plaats dat er een fysieke stem klinkt, klinkt er een stem in het hoofd.

Ik mijmerde daarover toen ik een passage in De navolging van Christus las van Thomas a Kempis. In zijn zoveelste waarschuwing voor de aloude vijand schrijft Thomas a Kempis: Hij zal je volstoppen met allerlei kwalijke gedachten om je verveling en je angst te wekken, zodat je dankzij hem geen zin meer hebt om te bidden en meditatief lezen (111). Meditatief lezen? De vertaler licht het toe in een eindnoot:

Naast het gemeenschappelijke en het persoonlijke gebed werd er in de kloosters van de Congregatie van Windesheim grote nadruk gelegd op het meditatieve lezen, in het Latijn lectio divina genaamd. Hierbij gebruikt men religieuze teksten, met name de Bijbel, als uitgangspunt voor meditatie waarbij het de bedoeling is dat de monnik in zijn binnenste de stem van God ervaart die via de teksten tot hem spreekt.

Thomas a Kempis De navolging van Christus, 205

Dat vind ik mooi. Je hoort niet meer de eigen innerlijk stem die zichzelf voorleest, maar het vermengt zich met De Stem van De Schrijver. Alsof er tijdens het lezen een unio mystica plaatsvindt.

Nu lees ik maar zelden de Bijbel, laat staan dat ik streef naar eenwording met God, maar ik vind het een interessante gedachte. Het kan helpen bij het doorgronden van een boek de eigen opvattingen op te schorten en zich gewonnen te geven aan de tekst en de schrijver. Zo probeer ik me te verplaatsen in een vijftiende eeuwse novice die les krijgt van Thomas a Kempis. Dan hoor ik als het ware zijn vriendelijk en vaderlijke stem in mijn hoofd, een stem van een man die het allemaal zo goed meent. Tijdens het lezen ben ik een beetje Thomas a Kempis en ik ben even een navolger van Christus. Het is misschien niet het meditatieve lezen wat Thomas a Kempis graag zou zien, maar het is voor mij wel een waardevolle wijze van lezen.

29.11.2007

De moderne treinreiziger moet het wel zwaar hebben, afgaande op de grote dichtheid excuses die het NS-personeel tegenwoordig maakt. De trein hoeft maar even stil te staan buiten het station, er hoeft maar een hobbeltje in de planning te zitten of daar komt die stem uit het plafond alweer aan, stevast eindigend met de mededeling: onze excuses voor het ongemak. Het is duidelijk een sleetse opmerking geworden, van boven opgelegd, want elke oprechtheid en overtuiging is tegenwoordig uit de stem verdwenen. De opmerking is dermate routine geworden, dat het geen enkele waarde meer heeft.

Een nieuw dieptepunt in de hedendaagse excuuscultuur vormt de stadsbusdienst in Utrecht. Schijnbaar kwamen er zoveel klachten over voorbijrijdende stadsbussen bij drukke haltes dat de display voorop de bus buiten dienst nu 'sorry, geen dienst' vermeld. Deze knieval voor de klant is absurd en volkomen betekenisloos. Als dienstverlenende bedrijven zich zo moeten verlagen om hun klanten koest te houden, zegt dat meer over uit de hand gelopen assertiviteit (en domheid wellicht) in deze maatschappij, dan over de vermeende spijtbetuiging die achter zo'n mededeling schuil zou gaan. Ophouden met die nonsens dus.

29.11.2007

Ik zie ze nog voor me, die studenten die het Malieveld opliepen en vermoeid gingen zitten. Ze waren teleurgesteld en begrepen niet wat er nu precies gebeurd was. Ineens stond er groep ME'ers rondom hen en begon op hen in te slaan met de wapenstok. Verbijstering. Een gebroken arm en kneuzingen, woede en tranen, onbegrip. Ik zag het en voelde het bijna zelf. Mijn haat tegen alles wat een uniform droeg werd behoorlijk gevoed.

Nog kan ik me soms niet aan de indruk onttrekken dat ME'ers en politieagenten wezenlijk geborneerde burgermannetjes zijn die een uniform dragen om hun agressie een ligitiem karakter te geven. Toen ik onlangs de televisiebeelden zag waarop een agentje met de wapenstok op een scholier insloeg, een scholier die alleen maar langzaam de goede kant opliep, werd mijn argwaan weer gewekt. De godvergeten klootzakken.

Het NRC omschrijft het in het redactioneel genuanceerd: Dat een deel van de schoolstakers uit was op een rel en zich misdroeg, is geen argument om onbezonnen de wapenstok te trekken. Dit optreden werkt in ieder geval niet deëscalerend, zoals vandaag in Amsterdam bleek.

Inderdaad, wat leren die agenten eigenlijk op de politieschool? Wordt er gewerkt aan zelfbeheersing? Wordt er gewerkt aan het vermogen tot kritische zelfreflectie op het werk? Of oefenen ze teveel op weekendcriminelen die voetbalwedstrijden bezoeken en kunnen ze geen onderscheid meer maken?

Tegelijkertijd besef ik maar al te goed: ik zou ze maar nodig hebben, die politieagenten, als mezelf of een naaste wat overkomt.

27.11.2007

Het is het moment wanneer het applaus verstomd en de pianiste haar handen boven het klavier houdt om te beginnen. Verwachtingsvolle stilte. Zoals ook wanneer hij het pistool heft en de schaatsers gereed staan om weg te schieten. Ontlading. Of het licht dat uit gaat in de bioscoop, het scherm licht op en men ziet het aftellen op het doek.

Zo was er een huis. Niet van deze tijd en niet van deze wereld. In dat huis een kamer, een lege kamer, zelfs geen gedachte erin. Op een weerloze dag, waarop er woorden vallen en blijven liggen. En er is een venster.

Ik herinner me dat venster in Bosch en Duin. 's Ochtends deed ik de gordijnen open: geen applaus, geen schot, geen aftellen. Een voortdurende verwachtingsvolle stilte in mijn leven dat ik alleenzaamheid noemde. In de avond terwijl de nacht het venster vult zie ik dan mijn spiegelbeeld. Ik zie de nacht en mijn gezicht / wat binnen is en buiten / wordt verward.

Dan is er ook een 'ze'. Een meisje – een verloren geliefde wellicht? – of een dochter? Haar lach snijdt een venster / uit mijn herinneringen.

Op een morgen zal ze het venster
open zetten naar de wereld
en kijken hoe ze alles
heeft achtergelaten.

Ze slaapt in mijn armen, mijn kleine dochter. Ik ga op de bank zitten, kijk even naar het donker buiten. Het boek dat ik had klaargelegd pak ik op en even proef ik het moment voordat ik het boek opensla. Het geluid van regen buiten. Dan lees ik soms is een vermoeden genoeg om zeker te zijn van niets. Ik daal af in mijn herinneringen.

Pas wanneer ze mij roept, ben ik binnen
en is zij in de tuin, de buitenkant
van haar bestaan. Ze heeft een vogel
gevonden; een andere vogel dan de
vogels in haar hoofd. Hij ligt onder
de lindeboom die haar jaren ringt.

Pas wanneer ze achterom kijkt, als
naar een herinnering, terwijl verdriet
zich vermomt in wat ze zingt, maak
ik me los uit het spiegelbeeld en
stap naar buiten. In haar blik huist
een vader. Ik zie het meisje dat ze is.

Pas wanneer ze vraagt wanneer zij
en ik dood gaan, is het voorbij.
Het zonlicht heeft het huis overgenomen
en ik weet niet waar ik moet beginnen
Zij raapt de vogel op uit het gras
en gooit hem in de lucht.

Jan Geerts Soms is een vermoeden genoeg in: Het liegend konijn, 2006/2, 37-44

21.11.2007

Achter de heilige Cecilia op het schilderij van Guido Reni zijn nog net een aantal orgelpijpen te zien. De heilige Cecilia wordt vaak met een orgel afgebeeld. Helaas kan ik niet zien waar het klavier zich bevindt. Staat Cecilia nu voor of achter het orgel?

Op een ander schilderij met de heilige Cecilia is het klavier wel te zien en met een zekere verbazing moet ik constateren dat de schilder weer die karakteristieke fout gemaakt heeft. Het kan zijn dat de afbeelding in spiegelbeeld geplaatst is, maar het is een bekend fenomeen in de geschiedenis van de schilderkunst dat orgels vaak verkeerd geschilderd worden. Bij een orgel zijn de toetsen van de laagste tonen links en de hoogste tonen rechts. De kortste pijpen voor de hoogste tonen horen dan dus rechts en die voor de laagste tonen, de lange pijpen, dus links te staan. Wat schilders heeft bewogen, naast compositorische redenen, om het zovaak om te draaien is een raadsel. Waarschijnlijk is het onkunde. Orgels die op deze wijze zijn gemaakt zijn niet gevonden, het zou technisch ook onnodig ingewikkeld zijn.

20.11.2007

Sommige boeken wachten op ons om gevonden te worden.

De titel van het boek voert mij terug naar mijn kindertijd. Sprookjes luisteren met zo'n luisterboek waarbij dan een piep of een belletje klonk als je de bladzijde moest omslaan.

Ik laat het boek aan mijn oudste zoon zien. Ik probeer het zelfs voor te dragen om te kijken of ik het ritme te pakken krijg. In mijn hoofd klinkt het allemaal heel muzikaal. Uitgesproken wil het niet lukken.

S. verwondert zich dat er zo weinig tekst op de bladzijden staat. Is dat geen zonde van het kostbare papier, papa? Ik probeer hem uit te leggen dat ik dat nu juist zo fascinerend vind, zo'n lege bladzijde waar slechts enkele woorden op drijven. Woorden die in stilte liggen te wachten in de eenzame ruimte, dichtgeslagen tussen de bladzijden, om door ons tot leven gewekt te worden.

Dit boek bevat slechts één gedicht. Staat ook op de titelpagina: gedicht. Het lijkt erop dat de witregels bestaan uit het omslaan van de bladzijden. Er wordt een spel gespeeld, een structuur aangebracht, met de plaatsing op de pagina en met herhaling. De lezer kan de woorden als schaduwen door het papier zien. Het is poëzie met een hartslag.

S. kijkt me aan. Pilletje nodig, papa?

F. van Dixhoorn Twee piepjes

14.11.2007

Ze vertelt omstandig hoe ze zich voorbereidt op een boek. Welke boeken ze eerst leest voordat ze aan Kant begint. Hoe ze zoekt op internet en wat ze daar allemaal wel niet vindt en hoezeer het haar lectuur verrijkt. Zo interessant allemaal.

Ik knik maar wat en glimlach om zoveel enthousiasme. In gedachten zie ik haar verwoed zoekwoorden typen achter de computer. Wikipedia, Google, werkelijk zoveel informatie te winnen, het lijkt wel een veldslag.

Ineens stokt haar monoloog alsof haar verhaal bij de rand van een ravijn is aanbeland. Stilte.

Verdorie, denk ik, nu moet ik iets zeggen over mijn voorbereidingen, maar wat?

En? Hoe bereid jij je voor op een boek dat je leest? Ironische blik.

Ik krimp ineen, ik weet zo gauw niets belangwekkends te bedenken.

Ik maak de glazen van mijn bril schoon voordat ik ga lezen, zeg ik dan maar.

13.11.2007

Ik kan me niet herinneren dat ik naar de kerk moest van mijn ouders. Ik ging vrijwillig, ik luisterde graag naar het kerkorgel en ik vond het ritueel, vooral de voorspelbaarheid ervan, wel aangenaam. En die man daar op de kansel, die een half uur lang iets over een tekst uit de Bijbel vertelde, daar was ik ook van onder de indruk. In mijn tienerjaren ging ik vrijwillig naar de catechisatie, ik vond de onderwerpen boeiend.

Toch deed ik dat alles niet zozeer uit overtuiging, het was ook sociaal wenselijk gedrag. Daarnaast wilde ik me onderscheiden van mijn leeftijdsgenoten, net zoals ik naar klassieke muziek luisterde en Grote Literatuur las. Het was voor mij vanzelfsprekend en door die vanzelfsprekendheid werd het overtuiging. Pas in mijn adolescentie, in mijn studiejaren, won de twijfel van de gewoonte. Ik heb nooit strijd hoeven leveren, ik dacht er wel veel over na en ik kon het mijn dierbaren uitleggen als ze ernaar vroegen.

Of er nu wel of geen God bestaat, doet niet ter zake. Wie een vriendelijk leven wil leiden, zou geen beloning moeten willen in een hiernamaals. Men kan de motivatie ook uit zichzelf halen. Ik heb eenvoudigweg begrip voor mensen die wel kerk en God nodig hebben om hun religieuze gevoelens een vorm te geven. Of een zenboeddhistische retraite. Of een gebed op vrijdagavond in een moskee. Intolerante mensen zijn niet alleen mensen met religieuze levensovertuigingen, je vindt ze in alle hoeken en gaten.

Ik prijs me gelukkig dat ik zonder problemen naar Into great silence kan kijken of naar Kantates van Bach kan luisteren. Of de nieuwe vertaling van De imitatione Christi van Thomas a Kempis kan lezen. Waar velen ongemakkelijk worden van de hoge dichtheid Jezus en God, daar kan ik genieten van de prachtige stijl van Thomas a Kempis in de vertaling van Paul Silverentand.

Thomas a Kempis De navolging van Christus

8.11.2007

Toen ik voor de eerste maal zo'n barokkerk in Zuid-Duitsland bezocht, was ik nog onder de indruk. Hoe oud was ik? Veertien jaar? Dan mag je nog onder de indruk zijn van zo'n kerk. Uiteindelijk is het daarom ook te doen: elke vierkante millimeter moet in zo'n kerk meehelpen de bezoeker klein te maken onder het geweld van pracht en praal. Het beoogt een totale explosie van glans en glitter. Blingbling. Ik had snel door dat al deze kerkelijke kunst kunstmatig was. Het goud was geen goud, het koude marmer warm als hout. Goedkope illusie.

Nee, ik ben in de kern calvinistisch. Geen franje, geen tierlantijntjes, minder is meer. Misschien is mijn esthetiek ook erg Nederlands: de rechte lijn van de horizon, de leegte van de polder, de ruimte om in te vullen.

Maar ook de hypocrisie van het calvinisme: men kleedt zich sober, maar laat ondertussen wel zien hoe kostbaar de kleding is. Vertaald naar mijn esthetiek: daar waar men streeft naar eenvoud en leegte, daar moet alles wat wel zichtbaar en hoorbaar is, temeer van waarde zijn, ertoe doen. Ik houd van hypocriete kunst.

Toch ben ik hier niet rigide in, zeker niet als het om muziek gaat. Toeters en bellen ontbreken niet in veel muziek waar ik van houd. Maar dat is gemakkelijke muziek, muziek die zo gemaakt is, dat je als luisteraar niet je best hoeft te doen om onder de indruk te raken. De componist verstaat zijn vak en weet hoe hij de luisteraar bij de lurven moet grijpen. Dat kan ik evenzeer op waarde schatten, zolang het maar niet te voorspelbaar wordt.

Echte rijkdom zit voor mij in de ruimte, in de afwezigheid van opsmuk en effectbejag. Daar mag je zelf creatief worden, het kunstwerk werkt als katalysator om gedachten en emoties tevoorschijn te laten komen. Kunst die niet klein maakt of verheft, maar die de toeschouwer en luisteraar een kant van zichzelf laat ontdekken. Zoals de calvinist niet meer via een priester onderhandelt met de Grote Kunstenaar, maar zelf een relatie aangaat door het boek in zijn eigen taal te lezen. Ik hoef niet in gesprek met de zieleroerselen van de schrijver of de schilder, maar ik wil in gesprek met zijn werk, of dat nu dankzij of ondanks zijn biografie tot stand gekomen is.

Zo zou ik het willen. De werkelijkheid is weerbarstiger.

6.11.2007

Ik liep langs een luxe hotel en zag de mensen die er verbleven. Alles was duur aan hen, zelfs hun blikken waren van belang. Onwillekeurig voelde ik me klein worden. Maar de gedachte dat ik 's ochtends kan opstaan zonder per se Iemand te moeten zijn, deed me glimlachen en meewarig kijken naar de gasten van het hotel. Zo kom ik altijd weer mezelf tegen en dat is buitengewoon aangenaam.

31.10.2007

Wanneer ik de gordijnen opzij heb geschoven, hoor ik vanuit het spijlenbedje 't Is donker buiten. Ik til mijn wakkere peuter uit bed. Zullen we naar buiten kijken?

We staan samen voor het raam op een zondagmorgen. Achter de vensters aan de overkant van de straat brandt nog geen licht, het is nog vroeg. M. wijst met zijn vingertje: Auto's slapen, lamp wakker. Inderdaad, de lantaarns verspreiden nog hun licht op dit uur.

Zou er een dichter in mijn kleine jongen zitten?

30.10.2007

Typisch Jeroen Brouwers, het verbaast mij niets. Dwars en eigenwijs, ik mag die man vreselijk graag. Ik geloof niet dat het hem om geld gaat (anders had hij die zestien duizend euro wel zonder mopperen aangenomen), maar om het aanzien van de literatuur. Zoals hij gisteravond in Nova zei, dat de prijs ook nul euro mocht zijn en alleen de eer, die gedachte was ook al bij mij opgekomen. Maar als je er dan een geldprijs aan wilt koppelen, doe het dan met een bedrag die in overeenstemming is met het aanzien van de prijs. Het is een legitieme redenering, het gaat Brouwers niet om het geld, maar om de symboliek. In mijn woorden: we hechten meer waarde aan een willekeurige balletjestrapper dan aan literatuur, dat zie je aan het geld dat men ervoor over heeft.

Ik heb niets met literaire prijzen. Nooit heb ik een boek gelezen omdat het een prijs gekregen heeft. Ik begrijp de behoefte wel om iemand te eren met een prijs, maar in ons taalgebiedje is er een wildgroei aan literaire prijzen. Daardoor ontstaat inflatie. Laat er hooguit drie prijzen zijn (poëzie, roman, non-fictie), zonder geldbedrag, alleen de eer, zonder mediaspektakel, zonder onderscheid tussen kinder-, jeugd- en grotemensenboeken. Laat de extra verkoop van het boek de bonus zijn.

Waarde mijnheer Brouwers, ik zal uw boeken altijd koesteren, met of zonder prijs. Blijf ver van het bekrompen literaire wereldje hier in de Randstad, zoals u altijd gedaan hebt. Laat gelezen worden de grootste literaire prijs zijn!

25.10.2007

Hoe klein wordt de wereld wanneer een kind geboren is? De eerste dagen is er alleen nog maar het eiland van mijn gezin, de wereld daarbuiten is nog slechts een vaag vermoeden. Internet, kranten, tijdschriften, het kan me allemaal gestolen worden. Zelfs boeken worden niet meer ingekeken. Bezoeken aan de winkel, het postkantoor of de aangifte op het stadhuis, het gebeurt allemaal met mijn hoofd in de wolken en een broeiend gevoel van euforie. Het is een prachtige tijd, het is een vermoeiende tijd en pas op, zo voorbij.

En dan bekijk ik mijn kleine wonder en probeer het boek te lezen dat ik in haar mooie ogen zie en ik weet, dat ik dat boek – als het gaat zoals het behoort te gaan – nooit zal uitlezen.

23.10.2007

Ik herinner me de laatste week van 1996 en de eerste dagen van het nieuwe jaar. Het was koud, er was sneeuw. Mijn vrouw en ik, nog maar enkele maanden getrouwd, verlieten onze bovenwoning slechts voor het park of de winkel. Verder lazen we, keken wat televisie of luisterden muziek en deden spelletjes: zij won altijd met Yahtzee en ik altijd met Triviant. Verder was het wachten, de tijd voorbij laten gaan, het zal toch niet lang meer duren? En terwijl het land de schaatsers toejuichte langs de elf steden, werd ik vader in een operatiekamer van een Utrechts ziekenhuis.

Ik herinner me juni en juli 2005. Het was warm, 's avonds stonden de tuindeuren open om wat verkoeling binnen te laten. Ik luister naar de années de pèlerinage van Franz Liszt. Ik vind op een video een opname van De Verzonkenen, over Jeroen Brouwers en zijn boek De laatste deur. Tot op een ochtend de vliezen braken en ik 's middags in een operatiekamer in een ander Utrechts ziekenhuis voor de tweede maal vader werd van een zoon.

Het is herfst nu. De dagen beginnen met mist, het is fris, maar als de zon doorbreekt is het aangenaam weer. Er is weinig wind. Ik moet gewoon werken. Thuis blader ik door de nieuwe aanwinsten in de boekenkast. Mijn vrouw vindt dat ik vaker piano moet spelen. Nocturnes van Chopin natuurlijk. Een paar dagen geleden keken we naar Hamlet van Franco Zeffirelli, een film op dvd, ik had het mijn vrouw op haar verjaardag cadeau gedaan. To be or not to be. We slapen in met de muziek van Anthony Holborne en zijn The tears of the muses. Das Leben kann so prachtvoll sein schiet me uit een nummer van Rammstein te binnen.

Morgen. Nog één nachtje slapen.

11.10.2007

Ook daarom houd ik van mijn vrouw, dat ze – op de dag dat ik drommels nog an toe veertig jaar ben geworden – me weet te verrassen met poëzie! De nacht krekelt van Jaap Robben en Suzanne Hertogs. Twee namen, want de vormgeving van de uitgave is even belangrijk als de tekst. Ik vind het een prachtig boek en zou er graag uit citeren, maar de vormgeving laat zich niet overnemen. Op zijn website heeft Jaap Robben op 29 mei enkele bladzijden toegankelijk gemaakt. Poëzierapport schreef een sympathieke bespreking.

Een aantal dagen later kocht ik de nieuwste bundel van mijn favoriete dichteres Miriam Van hee. Mijn oog viel op de volgende passage:

(...)
er is geen einde en geen begin
wij lossen niet op, wij kunnen niet schuilen
wij horen hoe ergens, dichtbij, een krekel
begint met zijn lied, haperend eerst, dan dapper
en onverstoord, we vinden hem niet
maar we zoeken, we zoeken

Miriam Van hee buitenland, 16

10.10.2007

Ik moet het ergens in het begin van 2002 geschreven hebben, waarschijnlijk voor het clubblad van de schaakvereniging.

Woensdagochtendkater

Schaken gebeurt in het hoofd. Het verplaatsen van de stukken op het bord vomt slechts een fysieke neerslag van wat gedacht werd. Het zichtbare is slechts een stand van zaken van wat gedacht werd door twee tegenstanders. Het schaken bevindt zich in het geheugen, wat op het bord staat is een geheugensteuntje. Men kan ook heel goed zonder bord en zonder stukken schaken. (Vergelijk muziek: de noten op papier zijn niet de muziek, het helpt de muzikant muziek te reproduceren. Of literatuur: de letters op papier zijn niet het verhaal - bibliofielen zijn dan ook fetisjisten.)
Het achteraf analyseren van een partij haalt het gedachte voor een deel weer boven. Maar ook datgene wat niet gedacht werd en wat men beter wel had kunnen denken. Daarvoor kan men gereedschappen gebruiken: boeken van schakers die het weten kunnen en computerprogramma's die goed kunnen rekenen en veel informatie kunnen tonen. En dan zijn er nog de gedachten van de omstanders: zij dachten vaak beter, zij waren de stuurlui.

Is dit alles wat een schaakanalyse inhoud en vorm geeft? Waar is het onredelijke, het psychische, het intuïtieve (wat is dat toch?)? Waar zijn de processen die de illusie creëren dat ik het ben die schaakt, dat ik het ben die de beslissingen neemt, dat ik het ben die analyseert? Waar is de schaakblindheid en de schaakdoofheid (niet luisteren naar je eigen stuurman)? Kortom: waar komt toch al die ruis vandaan?

Het kan boeiend zijn om te weten wat er allemaal precies gebeurt als men schaakt. Als men zijn eigen partij analyseert kan men nog redelijkerwijze reconstrueren wat men zelf gedacht heeft, maar wat er allemaal door het hoofd van de tegenstander gespookt heeft ... Maar hoe de gedachten ook vorm krijgen, waarom de gedachten die kant uitgaan en niet een andere ... het zijn voor mij raadselen. Wat boeiend is aan schaken is hoe die twee denkende breinen de illusies van elkaar voortdurend verstoren op het bord.

Maar ondanks de ruis hoop ik beter te gaan schaken als ik mijn eigen partijen analyseer, hoe onbeduidend het partijtje soms ook is. Als ik verlies: waar had ik het beter kunnen doen? Als ik win: waar had mijn tegenstander beter kunnen doen? Het analyseren van een partij is work in progress, het werk is nooit af. Een eigen schaakpartij analyseren is ook: zelfanalyse, voor wie lef heeft.

Je hebt van die schakers. De partij is nauwelijks beëindigd, je hebt gewonnen en je tegenstander gaat onomwonden staan aantonen dat hij eigenlijk altijd beter gestaan heeft en dat het gewoon domme pech was. Zo'n schaker behoort veroordeeld te worden tot de sofa. Of: schakers van het onbeleefde type "bedankt voor de les", zij zouden geen toegang moeten hebben tot een schaakvereniging, nog niet eens tot het toilet ervan. Zij hebben "iets" niet begrepen.

Schaakanalyse is zelfanalyse. Schaken is een mentale sport, geen denksport. Wat het denken voor schaken is is de bal voor het voetballen: je moet er vooral tegenaan trappen. Uiteindelijk gaat het om degene die trapt, de schaker. En zo de zelfanalyse slechts stuit op tijdelijke waarheden (nooit op De Waarheid), zo bestaat de finale schaakpartij ook niet. Er moet elke keer opnieuw geschaakt worden, in de hoop iets dichter bij het ontraadselen van het mysterie schaken te komen. Of je nu Garry, Vladimir of Jan Willem heet, dát is voor alle schakers hetzelfde.

10.10.2007

Onlangs vroeg ik aan de redactie van De Groene Amsterdammer of er nog een nieuw nummer van Literatuur zou komen. Het antwoord per elektrieke post was negatief, er werd te weinig verkocht, het reanimeren van het blad Literatuur was mislukt. Schijnbaar is er in Nederland geen publiek voor literatuurwetenschappelijke artikelen.

Toen kwam de nieuwsbrief van de Deltareeks. Eerst dacht ik dat de nieuwsbrief de nieuwe delen met werk van Carry van Bruggen en Karel van de Woestijne zou aankondigen, maar nee: (...) het Deltabestuur [heeft] in overleg met het NLPVF onlangs besloten tot wijziging van de reeks. Want: Het publiek dat bereikt wordt is relatief zeer klein en in het onderwijs speelt de Deltareeks geen rol van betekenis. Kortom: te weinig belangstelling of te weinig mensen die er hun duiten voor over hebben.

Wat is het toch jammer dat in dit land en in deze tijd – een land waar zoveel mensen meer dan ooit onderwijs genieten, een tijd waarin zoveel mensen toegang hebben tot informatie en literatuur – dit soort projecten niet levensvatbaar zijn. Kijkt men dan zoveel liever naar die troep op de treurbuis dan dat men een boek leest? Is er dan niemand meer die Vondel wil lezen, of Hooft of Gorter of Van den Vos Reynaerde? Of leest men dan liever slechts de nieuwste hype of het zoveelste literaire 'meesterwerk', commercieel aan de man gebracht in het veredelde reclamefoldertje BOEK of het o zo flitsende en dynamische websitetje boekennieuws van Ramon Stoppelenburg (die eenvoudigweg weigert de link naar mijn website te verwijderen terwijl ik niets met zijn trivialisering van de literatuur te maken wil hebben)?

Ach, inderdaad, ik zou me niet boos moeten maken. Ik zou me ook niet moeten opwinden over de hemeltergende platheid. Ik zou het niet doen als datgene wat kwetsbaar en van waarde is, niet gedoemd is een marginaal bestaan te leiden of eenvoudigweg verdwijnt. Iedereen moet zelf weten wat hij of zij leest. Maar liever zou ik zien, dat iemand, in plaats van mijn weblog te lezen, die tijd zou gebruiken om toch eens iets te lezen dat wel van waarde is.

9.10.2007

de eeuwige terugkeer (12)

Nietzsche had het niet zo op zijn landgenoten en trok steeds meer naar het mediterrane karakter van Fransen en Italianen, zo blijkt maar weer uit de brief aan zijn zuster. Het lijkt wel alsof Nietzsche last had van een stalker.

Aan Elisabeth Nietzsche in Basel (briefkaart)

[Wiesen, 7. juni 1879]

(...)
Von neuem 2 Tage mit bitterbösem Anfalle zu Bett. Es geht Schlimm! Denke, erst 2 erträgliche Tage auf der Höhe, von der Art der Bremgarten! Sonst ist alles wie geschaffen, um hier gesund zu werden. - Der Engadin ist mir durch den Überfluß von Deutschen und Baslern fast unbetretbar, das sehe ich jetzt ein (auch sehr theuer). (...) Hr. Landerer ist ein schrecklich zudringlicher Halbverrückter: halte meine Adresse geheim; der Mensch verfolgt mich womöglich, er hat leer und unklar geschrieben. - Hr. Bessiger soll doch ja auf dem Lehnhof melden, "daß ich nicht mehr bei ihm wohne". Grüße an ihm und seine Frau und Kinder - Nun, meine liebe Schwester, es muß gehen, bei Dir und bei mir!   F.

   Das Herzlichste und Wämste an die hülfreichsten Freunde, die es giebt, Eulestr.

KSB 5, 416

Een dag later schrijft Nietzsche een briefkaart aan Franz Overbeck. Hierin is Nietzsche een stuk somberder. Wellicht ook een stuk eerlijker.

Aan Franz Overbeck in Basel (briefkaart)

[Wiesen, 8. juni 1879]

Lieber Freund, eigentlich geht es so schlecht als er nur gehen kann; aber die Moral: "in allen neuen Verhältnissen abzuwarten was draus wird" hält mich in der Höhe fest. Ort, Haus, Zimmer, Bett, Kost, Pflege alles ist übrigens sehr gut und mir zusagend. (Immermann's haben sich gestern angemeldet; kannst Du unter der Hand erfahren, wann die "Familie" einrücken will? Und wer etwa sonst?) - Dein Wink über die regulating-Pillen ist Wasser auf meine Mühle der äußersten Vorsicht: hoffen wir auch hier auf die "Höhenluft". Bedenke dabei zur Deiner Beruhigung, daß ich jetzt in diesen Dingen "Kenner" bin, wie irgend ein Arzt und zehnmal behutsamer als z.B. unser treffl[icher] Ma[ssini] (den ich ja ausführlich genug darüber befragt habe!) ------
   Schmerz, Einsamkeit, Spaziergehen, schlechtes Wetter - das ist mein Kreislauf. Keine Spur von Aufregung. Vielmehr eine Art gedankenlosen betäubten Übelbefindens -
   Lebt wohl meine lieben Freunde! es denkt Eurer auf das Dankbarste
F. N

KSB 5, 416-417

9.10.2007

Het begint zolangzamerhand een traditie te worden op zondagochtend. Zo rond half tien gaan M. en ik een stukje fietsen. Al is M. wat groot voor het voorstoeltje, het is wel veel gezelliger. En zo kunnen we makkelijker babbelen onderweg.

Over de Amsterdamsestraatweg fiets ik met M. Utrecht uit. Bootjes kijken langs het Amsterdam-Rijnkanaal, al is het daar nooit druk op zondagochtend. Soms een enkele binnenvaartschipper, soms een plezierbootje. 'Kijk boot,' roept M. dan, 'dat is een grote'. We hebben besloten dat de boten die aan wal liggen nog slapen.

Bij de sportvelden gaan we rechts. We fietsen dan als het ware tussen de voetbalvelden door, slechts een sloot aan beide kanten scheidt ons van de sportieve mens. Meestal zijn er geen acitiviteiten, de vogels in de bomen of op het water hebben het rijk alleen. 'Sloot?'. 'Water in de sloot?' 'Ja, kijk, er zwemmen vogels in de sloot.'

We kruisen de Norbruislaan en fietsen Oud-Zuilen binnen. Daar is het zo stil op straat dat het lijkt alsof iedereen nog op een oor ligt. Soms hebben we geluk en gaat de oude Plompbrug open voor wat bootverkeer in de Vecht. Nu is het seizoen voorbij en is er geen varende boot meer te bekennen. Over de brug gaan we rechts, fietsen het oude kerkje voorbij en zwaaien naar Belle die in Slot Zuylen ongetwijfeld al achter haar schrijftafel heeft plaatsgenomen. 'Dag Belle, daag!'

De Vecht. Ooit een belangrijke verbindingsroute tussen Utrecht en Amsterdam. Wie langs de Vecht woonde was rijk, het zal er in vroeger eeuwen een drukte van belang zijn geweest. Nu alleen in de zomer door de toeristen op de fiets of in de plezierjachten. Zo op een willekeurige zondagochtend zie ik alleen eenden, ganzen, zwanen en een hoop watervogels waarvan ik de naam niet weet. 'Kijk M., wat een mooie zwaan.' 'Vogel!' 'Nee, een zwaan. Zo'n eend met een nek van een giraf. Een girafeend.' 'Vogel!'

Op de Vechtdijk is het heerlijk stil. Soms komt me een groep kwebbelende hockeymeisjes tegemoet. Soms loopt er iemand een hond uit te laten. Vissers zitten er meestal ook al vroeg. Afgelopen zondag waren er veel rennende mensen, waarschijnlijk had iemand een workshop 'joggen op de Vechtdijk' georganiseerd. Ik zag de verhitte gezichten en was blij dat ik niet hoefde mee te rennen. Dan maar wat overgewicht.

Bij de jaagpaal stoppen we altijd even; de Vechtdijk was ooit een jaagpad voor de trekschuiten. We eten allebei een koekje. Als we verder fietsen zwaaien we naar de koeien. 'Goedemorgen dames!' 'Boeoeoeh!'

We fietsen Utrecht weer in. Tegenwoordig fiets ik een stuk verder door. Na wat oude schepen komen nu de woonboten. Links moet ergens nog verborgen Fort aan de Klop liggen, een oud verdedigingswerk uit de tijd van de Waterlinie. Verderop passeren we het oude toegangshek en de theekoepel van buitenplaats Roosendaal. Vergane glorie, midden in de stad. Het oude huis bestaat inmiddels niet meer, de laatste delen zijn in 1970 afgebroken. 'Kijk M., daar is Ziekenhuis Overvecht, daar is je grote broer geboren.'

Dan, over een bruggetje, verandert de Vechtdijk in het Zandpad. De woonboten hebben nu rode verlichting achter de ramen. Schaarsgeklede dames etaleren zichzelf voor de heren in langsrijdende auto's (kinderstoeltjes achterin). Tijd om linksaf te slaan, omhoog, om dan over de Marnixbrug weer richting huis te gaan. In de oude wijken vermaken we ons met de vele verkeersdrempels in de weg. 'Warempel, alweer een drempel! Hoei, omhoog! Hoei, omlaag!'

Thuis zijn de anderen van het gezin ondertussen ook wakker. M. en ik zijn lekker fris van ons fietstochtje. Even wat drinken en dan weer spelen.

4.10.2007

de eeuwige terugkeer (11)

Begin mei had Heinrich Köselitz Nietzsche uitgenodigd bij hem in Venetië te komen. Nietzsche slaat het aanbod af. Ondanks zijn grote vriendschap met Köselitz zal Nietzsche nooit met enthousiasme naar Venetië gaan.

Aan Heinrich Köselitz in Venetië (briefkaart)

Wiesen bei Davos, Graubünden (Schweiz)
[5. Juni 1879]

Einstweilen, Lieber, Guter (dem ich ganz, auch in allen seinen Rathschlägen, vertraue) bin ich in den Fußtapfen Freund Widemanns, nämlich in der Nähe von Spinabad. Höhen- und Waldluft (1450 Meter) – nur eine vorläufige Linderung meines gräßlich und grausam gewordenen Zustandes sollen diese mir geben. Gegen den lido haben nur meine Augen in ihrer jetzigen unglaublichen Reizbarkeit etwas einzuwenden: selbst hier suchen sie noch nach Dunkel. Gewiß, daß wir noch in V[enedig] zusammenleben werden, aber möglicherweise doch erst von Spätherbst an. Falls (Im Fall?) ich lebe – eine Formel die ich Grund habe, allen Plänen anzuhängen. Bis zu dieser letzten Gränze denke ich an Sie und liebe Sie.

F N

KSB 5, 415

4.10.2007

de eeuwige terugkeer (10)

Aan Elisabeth Nietzsche in Basel (briefkaart)

[Wiesen, 2. Juni 1879]
Montag.

Ich erhebe mich von einem äußerst schmerzhaften Anfalle. Im Bett bekam ich Deinem Brief, danke für alles von Herzen.
(...)
Es ist ein sehr guter Ort: wenn nur erst der verfluchte Föhn aus den Thälern wäre! (...) Danke dem Freund Ov[erbeck], sein Brief kam mit dem Deinigen. Der Herr, welcher schon 12 Wochen hier ist, heißt Hirzel (aus Zürich, eigentlich Palermo) Ich freue mich und bin beruhigt, Dich und Niemanden sonst unter meinem Krimskrams zu wissen.

F. N

KSB 5, 414

uit: nagelaten fragmenten juni-juli 1879

40[3]
   Ich schließe: Beschränkung seiner Bedürfnisse. In diesen aber muß Jeder zusehen, Fachkenner zu werden (z.B. in Betreff seiner Speisung, Kleidung, Wohnung, Heizung, Clima usw.) Sein Leben auf so viel oder wenig Fundamente stellen als man ausreichend beurtheilen kann - so fördert man die allgemeine Moralität, d.h. man zwingt jeden Handwerker, uns ehrlich zu behandeln, weil wir Kenner sind. Ein Bedürfniß, worin wir nicht Kenner werden wollen, müssen wir uns verbieten: dies ist die neue Moralität.
   Kennerschaft hinsichtlich der Personen, welche wir gebrauchen, ist das erste Surrogat. Als Menschenkunde, dort, wo unsere Sachkunde aufhört.
   Also: eine ganz andere Art von Wissen zu erwerben, auf Grund unserer Bedürfnisse.

KSA 8, 578

uit: Der Wanderer und seine Schatten

318.
   Anzeichen von Freiheit und Unfreiheit. – Seine nothwendigen Bedürfnisse so viel wie möglich selber befriedigen, wenn auch unvollkommen, das ist die Richtung auf Freiheit von Geist und Person. Viele, auch überflüssige Bedürfnisse sich befriedigen lassen, und so vollkommen als möglich, – erzieht zur Unfreiheit. Der Sophist Hippias, der Alles, was er trug, innen und aussen, selbst erworben, selber gemacht hatte, entspricht eben damit der Richtung auf höchste Freiheit des Geistes und der Person. Nicht darauf kommt es an, dass Alles gleich gut und vollkommen gearbeitet ist: der Stolz flickt schon die schadhaften Stellen aus.

KSA 2, 693

3.10.2007

de eeuwige terugkeer (9)

Van donderdag 29 mei tot ongeveer 23 juni 1879 verblijft Nietzsche in Wiesen, in de omgeving van Davos. De eerste datum is zeer zeker omdat Nietzsche het gastenboek van hotel Bellevue op die dag heeft getekend. Er is nog slechts één andere gast, een zekere heer Hirzel, die al 10 tot 12 weken in het hotel verblijft.

Het plaatsje Wiesen ligt op 1450 meter hoogte in het kanton Graubünden. Het was geen bekend toeristenoord, maar wellicht hebben de schoonouders van Franz Overbeck Nietzsche dit verblijf getipt. In ieder geval is dit de eerste plaats waar Nietzsche sinds zijn vertrek uit Basel wat langer verblijft, ruim drie weken. De grote zoektocht naar de juiste klimatologische omstandigheden waarin hij het minste last van zijn hoofdpijnen zou hebben is begonnen. Nietzsche is nu een rondtrekkende vrijgezel zonder eigen huis en baan. Hij houdt zich bezig met de vraag hoe hij zijn leven nu wil gaan inrichten.

Op 30 mei schrijft hij een brief aan zijn zus in Basel. Elisabeth is schijnbaar nog steeds bezig met het opruimen van het huishouden van Friedrich.

Aan Elisabeth Nietzsche in Basel (briefkaart)

[Wiesen, 30. Mai 1879]
Freitag.

Es ist schön hier (Adr.: Wiesen, Graubünden, Hôtel Bellevue), aber Deinem Bruder geht es schlecht, - Föhn. Ich esse heute nicht zu Mittag. - Wald, wie wir ihn wünschen, giebt es auch hier nicht. Aber wo! - Seit unsrer Trennung war die arme Maschine in schlimmster Verwirrung. Der 70 stündige Anfall, unausstehlich, mit bösem Vor- und Nachtag. Vier Tage gar nicht geschlafen. Heute zum ersten Mal. - Um so schlimmer fühle ich mich heute. - Ein Herr ist außer mir im Hause. (In Zürich war Barometer 751: wir hatten in Bern doch 765. 751 was das Minimum in Europa, nach den Zeitungen) Die Matratze und die Decken verkaufe nicht, übergieb sie gerollt an O[verbeck] zur Aufbewahrung. Auch viell[eicht] mein Eßgeräth. – Ach, liebe Schwester, es muß eben gehen, aber schwer heb ichs. Ich denke an unser Bremgartner Schloßleben mit recht herzlicher Dankbarkeit.

Lebewohl, meine Liebe Gute!  F N.

KSB 5, 413

Nietzsche spreekt over zijn lijf als die arme Maschine. Hij is zijn eigen arts geworden, hij experimenteert voortdurend met zelfbedachte diëten. Later zal hij evenzeer bekend worden als 'arts van de cultuur'. Nietzsche als filosoof die zijn tijdperk de temperatuur neemt en probeert een diagnose te stellen. Hij is niet alleen bezig met zijn eigen ziekte, maar tevens met een decadente, zieke maatschappij.

In de Nachlaß bevinden zich aantekeningen uit juni-juli 1879. Ook hier komt de maschine-metafoor terug, weliswaar in een ander verband:

40[4]
   Die Maschine controlirt furchtbar, daß alles zur rechten Zeit und recht geschieht. Der Arbeiter gehorcht dem blinden Despoten, er ist mehr als sein Sklave. Die Maschine erzieht nicht den Willen zur Selbstbeherrschung. Sie weckt Reaktionsgelüste gegen den Despotismus – die Ausschweifung, den Unsinn, den Rausch. Die Maschine ruft Saturnalien hervor.

KSA 8, 578-579

In Der Wanderer und seine Schatten - zijn eerstvolgende publicatie - komt een vergelijkbare passage voor:

220.
Reaction gegen die Maschinen-Cultur. – Die Maschine, selber ein Erzeugnis der höchsten Denkkraft, setzt bei den Personen, welche sie bedienen, fast nur die niederen gedanklosen Kräfte in Bewegung. Sie entfesselt dabei eine Unmasse Kraft überhaupt, die sonst schlafen läge, das ist wahr; aber sie giebt nicht den Antrieb zum Höhersteigen, zum Bessermachen, zum Künstlerwerden. Sie macht thätig und einförmig, – das erzeugt aber auf die Dauer eine Gegenwirkung, eine verzweifelte Langeweile der Seele, welche durch sie nach wechselvollem Müssiggange dürsten lernt.

KSA 2, 653

2.10.2007

de eeuwige terugkeer (8)

Na ongeveer tien dagen samen in Bremgarten te zijn geweest, gaan Elisabeth en Friedrich Nietzsche weer elk hun eigen weg. Elisabeth gaat terug naar Basel om de laatste hand te leggen aan het leeghalen van Friedrichs woning. De meubels worden verkocht en allerlei andere zaken elders ondergebracht.

Friedrich reist naar zijn vrienden Franz en Ida Overbeck in Haus Falkenstein in Zürich. Daar zal hij enkele dagen blijven. Nietzsche is alleen maar ziek. De schoonmoeder van Franz Overbeck, Ida Rothpletz, zal nog de hele zomer proberen Nietzsche met haar zorgen bij te staan.

Franz Overbeck aan Heinrich Köselitz, 2 juni 1879:

Am 19. [moet waarschijnlijk 12. zijn - jwl] Mai schon hat er [Friedrich Nietzsche - jwl] Basel verlassen. Wenige Tage zuvor hatte ich, da sein Zustand mich sehr zu beunruhigen anfing und ich keine Möglichkeit sah, wie er allein die Abreise bewerkstelligen sollte, nach der er sich so sehr sehnte, an sein Schwester geschrieben. Sie kam und die Geschwister reisten zunächst nach Bremgarten bei Bern. Nach 14 [10 - jwl] Tagen kehrte Frl. Nietzsche zurück um dat hiesige Hauswesen abzubrechen. N zog weiter, zunächst zu meiner Schwiegermutter nach Zürich, wo er, bei allerdings schlimmer, selbst hier und mir empfindlicher Föhnluft, 4 Tage kaum aus dem Bette kam. Noch recht krank, doch von der Sehnsucht nach Höhenluft weiter getrieben, reiste er ab, zunächst nach Thusis, allein, und da war es nun wo wir ihn für mehrere Tage ganz aus den Augen verloren, und wie Sie sich denken können, recht beängstigt waren.

SN 3 nr. 13, blz. 21-22

Van zaterdag 24 mei tot donderdag 29 mei 1879 was Friedrich Nietzsche in Thusis. Wat hij daar in zijn eentje gedaan heeft is onduidelijk. Misschien was hij eenvoudigweg te ziek om verder te reizen. Vast staat dat hij op 29 mei in Wiesen bij Davos aankomt, alwaar hij een gastenboek getekend heeft.

28.9.2007

de eeuwige terugkeer (7)

Op 1 november 1875 begon een nieuwe semester voor Nietzsche als docent filologie. Onder zijn nieuwe studenten waren er twee die goede vrienden van Nietzsche zouden worden: Paul Widemann (1851-1928) en Heinrich Köselitz (1854-1918). Paul Widemann was weer bevriend met Ernst Schmeitzner die later de uitgever van Nietzsches boeken zou worden.

In het voorwoord van deel 4 van de Gesammelte Briefe haalt Köselitz herinneringen op aan de kennismaking met Nietzsche:

Im Sommer 75 kam Freund Widemann zur Fortsetzung der Universitätsstudien wieder nach Leipzig; dort reifte in uns der Enschluß, Nietzsche's wegen nach Basel zu gehen. Mit Empfehlungen Schmeitzner's versehen, trafen wir über Bayreuth kommend Mitte Oktober 1875 in Basel ein. Die ersten Tage suchten wir uns über Stadt und Stadtgeist zu orientiren. Gelegentlich eines Büchereinkaufs fragten wir den uns Bedienenden nach einer Photographie Nietzsche's, da solche von Basler Professoren im Schaufenster zu sehen waren und wir, noch ohne jede Vorstellung von Nietzsche's äußerer Erscheinung, brennend darnach verlangten. Wie erstaunten wir aber, als man uns fragte 'Professor Nietzsche? - Giebt es einen solchen hier?' Auch in anderen Läden war Nietzsche's Bild nicht zu erhalten. (...) Als wir ihm bald darnach unsre Aufwartung machten, waren wir frappirt von seinem Aussehen. Ein Militärsmann! kein 'Gelehrter'! (...) Der Eindruck was der einer eminenten Selbstbeherrschung. Streng gegen sich, streng in prinzipiellen Dingen, war er im Urtheil über Menschen dagegen von äußerstem Wohlwollen. Uns selbst sollte dieser Zug in auszeichnender Weise zu Gute kommen. Gleich der Empfang zeigte dies. 'Oh ich kenne die Herren bereits' sagte er mit heiterer Würde. Verwundert, wie wir zu dieser Ehre kämen, erfuhren wir, daß er zu gleicher Zeit wie wir in jenem Buchladen gewesen sei und uns sofort für die ihm schon durch Overbeck avisirten Freunde gehalten habe. Mit dieser Wendung war alle Befangenheit vorbei; die fernere Unterhaltung bewegte sich um unsre Studienpläne, unsre Vergangenheit und dergleichen mehr. (...) So auch verabredete er mit uns Spaziergänge, deren erster mir in lebhafter Erinnerung geblieben ist: Overbeck nahm daran Theil. (...) Das erste Thema, das ich als Musiker mit Nietzsche besprach, war der Streit Gluck-Puccini, über den ich soeben Desnoiresterres' Studie gelesen hatte. Nietzsche hielt einen Streit zwischen zwei so entschiedenen Geschmäckern für rein unausfechtbar: der Kuckuk, sagte er schalkhaft, werde schwerlich zugeben, da? auch i-a ein angemessener Seelenausdruck sei.
(...)
Einladungen zu Nietzsche, meist für den Abend, erhielten wir mehrmals in jenem Semester. Welches Fest waren sie für uns! Nietzsche wohnte Spalenthorweg 48 mit seiner Schwester zusammen, sehr anheimelnd in ruhiger Gegend; sein Studierzimmer lag auf Gärten hinaus, Salon und Wohnzimmer nach der Straße. (...) An solchen Abenden hatten wir auch das Glück, Nietzsche als Clavierspieler zu hören: im Gedächtniß blieb mir zumal sein Hymnus an die Einsamkeit, ein Stück voll herber Größe und Unerbittlichkeit, in das sich sirenenhaft, doch bald mit Trotz wieder afgewiesen, bestrickende dolce-Stellen mischten. Nietzsche's Anschlag war von großer Intensität, ohne doch hart zu sein, sein Spiel Sprechend, polyphon, von mannigfaltigster Abstufung, sodaß aus seinem Orchesterklang sich hier das Horn oder Flöten und Geigen, dort Posaunen deutlich heraushoben. - Von rührender Güte zeugte es, daß die Geschwister Nietzsche uns auch zu Weihachten einluden und sogar mit Geschenken überraschten: zu keiner Zeit des Jahres empfinden ja Junggesellen ihre Isolation so sehr wie an diesem Feste: wie überschwänglich war daher unsre Dankbarkeit für diese Ehre und Freude.

Köselitz 1908, blz. XV-XXIV

Later liet Nietzsche Köselitz zijn vierde Unzeitgemäße Betrachtung over Richard Wagner lezen. Köselitz was enthousiast. Nietzsche opperde het idee om een mooi afschrift te maken en het Richard Wagner cadeau te doen op zijn verjaardag. Köselitz bood aan om dit afschrift te maken. Nietzsche was er zeer content mee en zo werd Köselitz een grote hulp voor Nietzsche. Gehandicapt door zijn slechte ogen dicteerde Nietzsche vaak zijn werk aan Köselitz en werd hij een vaste hulp bij het redigeren van de drukproeven.

27.9.2007

de eeuwige terugkeer (6)

Nietzsche mag zich gelukkig prijzen met zijn vrienden. Ze maken zich zorgen en er ontwikkeld zich een briefcontact tussen Schmeitzner, Widemann, Köselitz en Overbeck. Met name de laatste twee zullen zich altijd om Nietzsche blijven bekommeren.

Nietzsche heeft zijn baan opgezegd, heeft zijn spullen al zoveel mogelijk ondergebracht. Hoe nu verder? Hoe zichzelf te onderhouden? Zijn vrienden spelen met de gedachte om Nietzsche-Vereinen op te richten, analoog aan de Wagnervereinen. Bernard Förster probeert in het geheim een Subskription te organiseren en er wordt aan de Schillerstiftung gedacht. Bernard Förster zal later met Elisabeth Nietzsche trouwen en een dubieuze rol gaan spelen als zwager. Köselitz wil Nietzsche wel in zijn woonplaats Venetië hebben, het klimaat zou daar gunstig zijn voor Nietzsche.

Van de oudere vrienden nemen Rohde en Gersdorff contact op.

Wanneer Overbeck verneemt dat de Universiteit van Basel Nietzsche financieel zal blijven steunen worden de ideeën snel vergeten. Nietzsche zelf wil niets liever dan een eenzame zomer.

26.9.2007

de eeuwige terugkeer (5)

Op 11 mei 1879 vertrekken broer en zus Nietzsche per stoomtrein van Basel naar Bremgarten. Bremgarten ligt iets ten noorden van Bern, aan de rivier de Aare. Vanaf het moment dat Friedrich Nietzsche zijn oude woning in Basel verlaat, zou hij geen eigen woning meer hebben. De komende tien jaar zal hij een dolend bestaan leiden, van adres naar adres, altijd op zoek naar een gezond klimaat.

Wanneer Friedrich en Elisabeth Nietzsche precies zijn aangekomen in het kuuroord Bremgarten en hoe lang ze zijn gebleven is niet met zekerheid te zeggen. Waarschijnlijk zijn ze er ongeveer een week geweest. Elisabeth herinnert zich later het verblijf in schloss Bremgarten in haar Nietzsche-biografie:

Die ganze Zeit ist mir in ihrer unendlichen Schwermuth unvergeßlich geblieben. Das Schloß hat in der Nähe schöne ausgedehnte Waldungen und einen Garten mit alten riesengroßen Bäumen, der hoch über der Aar gelegen, wie eine Halbinsel von ihr umrauscht wird. Der schlimmste Krankheitszustand nahm mit dem Verlassen van Basel ein Ende, aber Fritz war immer in der Erwartung, daß er wiederkehren könnte, dazu halbblind und so erschöpft, daß wir gar nicht aufzuathmen wagten; trotzdem wanderten wir viel umher. Schloß Bremgarten hatte eine außerordentlich malerische Umgebung, und ich sehe noch den rührenden Blick, mit dem mein Bruder oft auf die herrlichen Landschaftsbilder schaute, als ob er für immer Abschied nähme.

Elisabeth Nietzsche Das Leben Friedrich Nietzsche's in: Chronik, 453

25.9.2007

Muziek doet rare dingen met mensen. Hoe vaak ben ik niet op mensen gestuit die, gevraagd naar hun favoriete muzieken, helemaal lyrisch worden. Muziek is dan pure emotie. Muziek is iets dat je moet voelen, daar kun je niet over praten. Daar zijn geen woorden voor, ook zo'n heerlijke dooddoener. Muziek is door zijn weinig concrete materiaal moeilijk grijpbaar en daarom zou het de hoogste kunstvorm zijn. Muziek gaat diep in je ziel, zeggen sommigen. Weer anderen gaan dan vervolgens een stapje verder: muziek is transcendentaal, muziek verheft, het brengt je op een ander niveau, in een andere bewustzijnsdimensie wellicht. Het enthousiasme van gepassioneerde luisteraars naar muziek neemt dan religeuze vormen aan, muziek is dan een medium geworden naar een andere, metafysische wereld.

Raar iets hoor, muziek. Eng ook wel dat muziek niet louter mooi, indrukwekkend kan zijn, maar dat je er helemaal in op kan gaan en als sublieme ervaring jou helemaal bij de lurven grijpt. Ik ben altijd huiverig geweest voor dit soort ervaringen, dat je ergens in op kan gaan, ergens in kan verdwijnen. Daarom komt het waarschijnlijk nooit helemaal goed tussen mij en het boeddhisme.

Toch zijn dit soort ervaringen mij niet vreemd. Beter gezegd: ik denk dat ik dit soort ervaringen heb gehad. Maar of het nu door de muziek komt of door mezelf, daar ben ik niet helemaal uit. Ik sluit me niet af voor dergelijke ervaringen, maar ik stel me er evenmin nadrukkelijk voor open. Niet dat ik ongevoelig ben voor muziek, integendeel, maar ik weiger aan te nemen dat een gedicht of een schilderij of wat dan ook, niet een vergelijkbare ervaring zou kunnen creëeren.

Het is een typisch negentiende eeuwse manier om over muziek te praten. In oudere tijden deed men over het algemeen niet zo hysterisch over muziek. Ergo: in de barok stond muziek onderaan de esthetische ladder. Aan het einde van de achttiende eeuw, begin negentiende eeuw kantelt de waardering voor muziek. Het wordt een autonome kunstvorm die niet meer in dienst staat van een broodheer, niet meer louter functioneert in de eredienst of op feesten en partijen, of gewoon als deuntje op de achtergrond terwijl men tafelt. Ineens lijkt muziek wel de ultieme uitdrukking van de lijdende, geniale kunstenaar (model Beethoven) en dient het in stilte sacraal ondergaan te worden. Ik heb het idee dat we daar begin eenentwingste eeuw nog niet helemaal van genezen zijn. Nog steeds laten we ons graag bedwelmen door muziek of willen we op z'n minst zo over onze favoriete muziek praten, als uitdrukking van onszelf. Het is dan immers een kwestie van smaak waar niet over te twisten valt, omdat het gestoeld is op een (emotionele, metafysische) ervaring waar je nu eenmaal niet over kunt spreken. Discussie uitgesloten en daarmee meteen ook een goed gesprek helaas. Dat zegt meer over onszelf, dan over muziek.

Iemand die in de negentiende eeuw een exemplarische tekst geschreven heeft over deze religieuze muziekervaring is Arhur Schopenhauer (1788-1860). In zijn boek Die Welt als Wille und Vorstellung (1819, in 1844 aangevuld met deel 2) wordt naast zelfmoord, opgaan in de muziek als enige mogelijkheid gezien om te ontsnappen aan de voortrazende wereldwil. Ik ga hier de visie van Schopenhauer niet proberen uit te leggen, maar het is onmiskenbaar een prachtig voorbeeld van romantische muziekesthetiek, ingekaderd in zijn filosofische taal.

De nauwe verwantschap tussen de muziek en het ware wezen van alle dingen levert ook de verklaring voor het feit dat wanneer we bij een of ander tafereel, een of andere handeling, gebeurtenis of omgeving een bijpassende muziek horen, deze muziek ons de meest verborgen betekenis ervan lijkt te onthullen en zich presenteert als het meest adequate en duidelijke commentaar op dit alles. Het verklaart eveneens waarom het iemand die zich helemaal overlevert aan de indrukken van een symfonie, voorkomt dat hij alle mogelijke voorvallen uit het leven en de wereld aan zich voorbij ziet trekken; maar als hij erover na gaat denken, kan hij geen gelijkenis ontdekken tussen dat muziekstuk en de dingen die hem daarbij voor de geest staan. Want zoals gezegd is het verschil tussen muziek en alle andere kunstvormen, dat de muziek geen afbeelding is van de verschijning, of preciezer gezegd, van de adequate objectiviteit van de wil, maar een onmiddelijke afbeelding van de wil zelf en dat ze dus van al het fysische in de wereld de metafysische kant weerspiegelt, en van alle verschijnselen het ding-op-zichzelf. We zouden de wereld dus met evenveel recht belichaamde muziek als belichaamde wil kunnen noemen.

Arthur Schopenhauer De wereld als wil en voorstelling 1, 395

Staat u mij toe dit prachtige onzin te vinden.

21.9.2007

'BOE!'

'Boe? Wie zegt daar boe?'

Mijnheer Tuli springt tevoorschijn uit een portiek. Om zijn lippen speelt een lach die ik herken van mensen die geregeld te diep in het glaasje kijken.

'Feestje gehad?' vraag ik, ietwat afwerend. Ik heb een pesthekel aan mensen die zich met drank niet kunnen beheersen. 'Met Il Commendatore zeker,' probeer ik geestig mijn ergernis te verbergen.

'Il Commendatore?'

'Don Giovanni, a cenar teco m'invitasti e son venuto!' zing ik hem voor.

'Oh, La Statua, nee die woont te ver weg,' grinnikt Tuli. 'Nee, ik heb een feestje gebouwd met Atlas op het paleis ...' en met een veelbetekenende knipoog voegt hij eraan toe: '... samen met Temperantia en Vigilanza.'

Ik kijk naar de achterzijde van het paleis op de Dam en het komt me voor dat Atlas niet zo stevig op zijn benen staat als anders en dat de dames op het fronton er ook wat verfomfaaider uitzien.

'En,' ga ik verder, 'viel er wat te vieren?'

Met een onmiskenbaar sarcasme antwoordt Tuli 'Prinsjesdag!'

'Ja, jwl, het is niet gemakkelijk in deze tijd, ik benijd u niet. Met de handelaren in koffie aan de macht bent u en uw landgenoten nog slechts cijfertjes op een begroting, een kostenpost. Uw zesjescultuur staat een gezonde economie in de weg. U bent slechts een consument, vergeet dat niet. U moet werken en overwerken en op zaterdag in de voor u speciaal aangelegde koopgoten uw verdiende centjes weer uitgeven. Behoeftebevrediging heet dat. Werk, koop en wordt gelukkig, dat is de boodschap van uw regering. Kijk naar die mensen die steeds maar weer als junks die nieuwste hebbedingetjes scoren, kijk hoe hol hun ogen zijn en hoe uitgemergeld hun geest. Dat zijn geen mensen meer, dat zijn klonen. Eigenlijk hebben ze geen identiteit, maar dragen ze een mantel (...) om de eigen naaktheid te verhullen. Ik ben mijn Mercedes. Ik ben mijn Apple. Ik ben mijn BigMac. Ik ben mijn Nikes. Ik ben mijn MTV.'

In de stilte die volgt, probeert Tuli zich staande te houden en op adem te komen. Nu pas zie ik hoe versleten zijn pak is. Dan, met hernieuwde zelfbeheersing, vraagt hij bijna fluisterend:

'jwl, heb je wat kleingeld voor me, voor een bakkie koffie?'

Ik geef hem al mijn muntgeld.

'Dank jwl, je bent een aardige gozer. Op de Lauriergracht nr. 37, daar hebben ze goede koffie en daar zijn ze vroeg open. Werk ze jongen.'

Ik kijk hem na en weet niet wat te zeggen. Ik ben niet mijn weblog.

19.9.2007

De familie L. zit aan tafel een warme maaltijd te eten. Er wordt op het raam geklopt, het is K., het zoontje van de overburen. Oudste zoon S. gaat open doen.

Het duurt een tijdje, maar dan komt S. weer aan tafel zitten en gaat verder met zijn eten.

'Wat kwam K. doen?' vraag ik S.

'O, hij kwam vertellen dat hij een thyplosion had in level zestig,' antwoordt S. stoïcijns.

Pokémon Crater. Vrouw en ik kijken elkaar aan en proberen niet in lachen uit te barsten. In een poging net zo stoïcijns over te komen zeg ik:

'Dat is niks, ik had laatst een thyplosion in level tweehondervijftig...'

S. laat zich niet kennen.

'Papa, level tweehondervijftig bestaat niet.'

Even ben ik uit het veld geslagen, maar ik zal hem krijgen.

'Dat denk je maar, jullie hebben gewoon nog niet ontdekt hoe het verder moet na level honderd! Ha!'

'Papa, ik heb de handleiding gelezen en daarin staat dat er maar honderd levels zijn, dus meer zijn er niet.'

Ik geef het op.

Tijdens het afwassen is S. stil. Ik vraag me af waar hij aan denkt, maar ik laat hem lekker zijn gedachten hebben. Misschien denkt hij wel, terwijl hij de borden schoon maakt en ze in het druiprek zet, aan al die thyplosions die hij nog moet doorstaan.

Wanneer ik de laatste droge kopjes in de kast zet, zie ik dat er een mededeling opborrelt. Al het bestek wordt met een diepe zucht in het water gemikt en dan fluistert hij zachtjes 'dwangarbeid'!

Ik ben perplex, S. verzinkt weer in gedachten en bij die aanblik krijg ik de slappe lach!

Dwangarbeid? Puh. Een beetje afwassen. Die jeugd van tegenwoordig. Hij moest eens weten wat hem nog allemaal te wachten staat! Daar is een thyplosion nog niets bij!

11.9.2007

Hoe lang is het geleden, vroeg ik me ineens af. Ik had de noten van Victoria uit de printer gehaald en daar lagen ze voor me op tafel. Zo vertrouwd en toch ook zo lang geleden. Ditmaal wilde ik niet alleen de muziek laten horen, maar er ook iets over vertellen. Daarom wilde ik eerst de noten zien. Voordat ik het wist had ik al een potlood in mijn handen en zat ik strepen te zetten. Ik had mijn analytische blik niet verloren. Nadat ik had gecontroleerd wat ik wilde controleren – die noot op Domine was inderdaad de hoogste – schoof ik de papieren glimlachend van mij weg, onwennig, alsof ik iets had gedaan wat ik mezelf jaren geleden verboden had.

Hoe lang is het geleden dat ik definitief de deuren van het Instituut voor Muziekwetenschappen achter mij sloot? Zes jaar lang was ik door die deuren gegaan, had er colleges en werkgroepen gevolgd, had er uren doorgebracht in de muziekwetenschappelijke bibliotheek met boeken, partituren en een enorme verzameling muziektijdschriften, of ik had gekeken naar microfilms van middeleeuwse manuscripten, turend naar de zwarte vlekken – en ik had er veel koffie gedronken, gerookt en gepraat met medestudenten. Op een dag, na zes studiejaren, heb ik het pand verlaten en zover ik me kan herinneren ben ik er ooit nog één keer binnen geweest, maar misschien vergis ik me.

Zes jaar lang heb ik daar een gevecht geleverd. Nee, het was niet de studie, bij elke andere andere studie had ik ongetwijfeld hetzelfde gevecht gevoerd. Het was mijn onvermogen om te studeren, mijn onvermogen om te functioneren in dat academische wereldje.

Het moet vijftien jaar geleden zijn dat ik het zat was, dat ik de ene dag student was en de volgende dag werkeloos. Mijn mooiste demon had ik al meer dan een jaar niet meer gesproken of gezien, nu nam ik ook afscheid van mijn studie, zonder diploma. Tegelijkertijd besloot ik te stoppen met roken, wat wonderwel geen moeite kostte. Binnen enkele weken viel er een oproep voor militaire dienstplicht op de mat. Ik weigerde. De eerste drie maanden waren een onwerkelijke tijd. Slapen, eten, lezen, uit het raam kijken en zo nu en dan vrienden zien. De rest van de wereld maakte zich nuttig, ik ervaarde toen totaal geen uitzicht. Toch is het één van mijn gelukkigste perioden in mijn leven geweest, omdat ik van de ene op de andere dag zoveel ballast van mijn schouders had geworpen. Het was een bevrijding geweest. Deze maand alweer vijftien jaar geleden.

11.9.2007

In de wind die takjes, servetten en bladeren over de gracht blaast, kun je gemakkelijk een beeld zien van de 'geest die waait waarheen zij wil', lees ik in het zomernummer van Vorm & Leegte. Ach, denk ik, dat is aardig geschreven. Maar de tekst vervolgt: Dit is een mysterieuze waarheid die het menselijk kunnen, denken en kenvermogen te boven gaat en dat is nou jammer, denk ik vervolgens. Boeddhistisch geneuzel. Had het bij dat mooie beeld gelaten en verbindt er niet meteen een mysterieuze waarheid aan vast, dan draait de wind in mij naar het noorden.

7.9.2007

Hij is dood. De stem zal nog louter van geluidsdragers klinken. De stem die ik gehaat heb, omdat mijn vader zo van die stem hield. Toch kan ik niet ontkennen, de gouden strot van Luciano Pavarotti was uniek en muzikaal. Zeker in de tijd dat hij nog niet zo'n circus van zijn roem maakte. Men moet wel van steen zijn om er niet gevoelig voor te zijn, hij raakt een snaar. Hij is dood, de man die ik wel eens expres verwarde met Bud Spencer.

Bedankt Luciano.

ridi, Pagliaccio, ridi

6.9.2007

Nee, vanochtend geen gesprek met mijnheer Tuli. Ik zag het al meteen toen ik de steeg uitliep: een grote zeemeeuw was op zijn hoofd gaan zitten en gezien de witte kledder boven het linkeroog van mijnheer Tuli, begreep ik meteen dat een gesprek er vandaag niet in zat. Daarbij was hij al aan het werk, druk doende ergens voor te staan. Een jongeman liep toerist te zijn met een reisgids in zijn ene en een fototoestel in zijn andere hand. Hij zocht naar de juiste hoek en de juiste afstand. Ik bekeek het tafereel in het voorbijgaan en besloot mijn weg alleen te vervolgen.

5.9.2007

Ik had hem al lang niet meer gesproken. Ik zag hem wel zo nu en dan, maar 's middags was hij te druk, dan zijn er altijd mensen die een foto van hem willen maken. Nee, nu ik 's ochtends de tram naar mijn werk neem, spreken wel elkaar nooit meer. Eigenlijk was ik mijnheer Tuli een weinig vergeten.

Maar vanochtend kwam ik hem tegen, ik had besloten weer eens te gaan wandelen. Toen ik door de Torensteeg Villa Zeezicht passeerde en de brug wilde oversteken, zag ik hem staan. We glimlachten. Mijnheer Tuli liep, zoals vroeger, met mij op.

'Droogstoppel vindt studenten en ondernemers middelmatig', begon hij. Mijnheer Tuli is op de hoogte van het laatste nieuws. 'Ga jij daarover schrijven?'

'Ach, mijnheer Tuli, Balkenende, de meest middelmatige minister-president die Nederland in jaren gehad heeft, verwijt óns een mentaliteit van middelmatigheid!? Wat moet ik daarover zeggen, dat werkt toch slechts op je lachspieren!' antwoordde ik. 'Maar u weet, ik schrijf niet graag over politiek, ik begrijp het niet zo goed.'

'Maar jwl, politiek gaat ook niet over waarheid. Politiek gaat over machtsverhoudingen en wat al of niet werkt. Daar is sinds de Gouden Eeuw niet zoveel aan veranderd.'

'Mijnheer Tuli, u heeft vast gelijk. Had ik maar zo'n pen als u! Want ergens heeft Balkenende wel gelijk, al zou ik het geen middelmatigheid willen noemen, maar platheid. Waar zijn de denkers gebleven, de intellectuelen, de aristocraten van geest die nog kunnen schrijven en die nog gelezen worden, die nog gezag hebben in dit land? Waar zijn de politici met een visie, met bevlogenheid? Jan Pronk? Ach, was het maar waar, zelfs Jan Pronk is een anachronisme!'

Mijnheer Tuli zweeg. We passeerden het hoofdpostkantoor en ik vroeg me af hoe ver hij met mij mee zou wandelen. We luisterden naar onze eigen gedachten en de stilte van een stad die nog tot leven moet komen. Het klotsen van het water in de Singel.

'Ik heb sinds lang geen ideeën meer, jwl. We moeten vechten tegen onrechtvaardigheid. Dat wat kwetsbaar is, moet beschermd. Deze tijd is zo welvarend, maar de mensen die ik elke dag zie voorbijkomen zijn zo ontevreden. Het zit niet in de economie, maar in de hoofden van de mensen. Ze zien niet meer, ze luisteren niet meer, ze voelen niet meer.'

'Precies meneer Tuli, en daar word ik zo somber van. Wat kan ik doen?'.

'Schrijf, wie weet raak je een snaar.'

We waren aangekomen bij De Evenaar. Mijnheer Tuli draaide zich om.

'Ik moet terug, ik moet weer ergens voor staan de hele dag,' zei hij grimlachend.

Ik beloofde hem vaker langs te komen.

5.9.2007

ei, ei, ei
dat rijmt niet op
maar bij

2.8.2007

Hoe zou ik reageren wanneer ik vernam dat door een terroristische aanslag het Louvre in Parijs totaal vernietigd was? Ik zou treuren om de mensen die erbij omgekomen waren al kende ik ze niet. Ik zou woedend zijn om alle kunstwerken die verloren waren gegaan, nooit meer zouden terugkomen. Wat zou het teweeg brengen in de West-Europese wereld? Een groter verlies dan de Twin Towers in New York? Zou het de West-Europeaan nog iets doen dat kunstschatten voor eeuwig weg zouden zijn, dat we er geen blik meer op kunnen werpen en slechts afhankelijk zijn van papieren reproducties? Of zouden de meeste mensen al vlot de schouders ophalen: erg voor die mensen die omgekomen zijn, maar de schilderijtjes ... ach ...

In 1871 ging het gerucht in Europa dat het Louvre in vlammen opgegaan was. Het was slechts een gerucht. Nietzsche schrijft erover in een brief aan een vriend.

140. An Carl von Gersdorff in Marienbad

Basel 21 Juni 1871.

(...)
Als ich von dem Pariser Brande vernahm, so war ich für einige Tage völlig vernichtet und afgelöst in Thränen und Zweifeln: die ganze wissenschaftliche und philosophisch-künstlerische Existenz erschien mir als eine Absurdität, wenn ein einzelner Tag die herrlichsten Kunstwerke, ja ganze Perioden der Kunst austilgen konnte; ich klammerte mich mit ernster Überzeugung an dem metaphysischen Werth der Kunst, die der armen Menschen wegen nicht da sein kann, sondern höhere Missionen zu erfüllen hat. Aber auch bei meinem höchsten Schmerz war ich nicht im Stande, einen Stein auf jene Frevler zu werfen, die mir nur Träger einer allgemeinen Schuld waren, über die viel zu denken ist! –
(...)

Dein treuer Freund
Friedrich Nietzsche.

KSB 3, 204

27.7.2007

Voorin het boek heb ik mijn naam en Zeist, ma. 28 juni 1993 genoteerd. Achter de letters Z en e van Zeist zie ik nog vaag de letters U en t, schijnbaar wilde ik aanvankelijk Utrecht opschrijven. Ik moet diep in mijn geheugen graven, wat deed ook al weer in dat jaar? Ik woonde dus nog in Zeist, maar ik studeerde al niet meer. Het was de tijd waarin ik werkeloos was, de tijd tussen studie en vervangende dienstplicht. De tijd ook dat ik alle aandacht kon schenken aan mijn vriendin die ik een aantal maanden eerder ontmoet had, zij woonde in Utrecht, vandaar waarschijnlijk de verschrijving.

Waarom kocht ik het boek? De schrijver Hans Faverey (1933-1990) was al een aantal jaren dood, waarschijnlijk waren daarom de Verzamelde gedichten uitgebracht en had ik in het NRC of in De Groene (of allebei), lovende besprekingen gelezen? Ik weet het niet meer, maar de mooie eenvoudige vormgeving van De Bezig Bij zal ook een rol gespeeld hebben. Veel gelezen heb ik niet in het boek. Toch zijn er gedichten die me geraakt hebben, want later heb ik op briefjes wat noten geschreven om op de tekst liederen te schrijven. Meer dan die paar notities is het nooit geworden, maar ze zitten nog steeds in het boek.

Yra van Dijk besteedt in haar boek Leegte, leegte die ademt een heel hoofdstuk aan Faverey, een reden voor mij om het boek weer eens uit de kast te halen. Overigens is de titel van haar boek ontleend aan een gedicht van Faverey: (...) Waarom schoonheid dan niet ontdaan / tot leegte, leegte die ademt. (...) (blz. 585). Weer vallen de notities met noten uit het boek en opnieuw constateer ik dat die ideeën bewaard moeten blijven, het ziet er niet slecht uit. Misschien moet ik er een keer wat mee doen, de gedichten van Faverey staan dichter bij mij dan ik dacht en ik zou daar muzikaal best iets mee kunnen.

Ik ging op zoek naar andere gedichten dan waar ik indertijd door geraakt was. Citaten in het boek van Yra van Dijk hadden me een beautiful demon doen herinneren. Vreemd dat die gedichten me in 1993 niet waren opgevallen, toen het gemis soms nog pijnlijk was.

Waar zij zich nu bevindt, nu

weet ik niet. Net als zij

aan mij denkt, toevallig, denk
ik misschien niet
aan haar. Zo is er, juist

als er niets is, altijd

wat. Door de beweging
te loochenen
red ik het zelfs

hier niet, nu niet.

Hans Faverey Verzamelde gedichten, 354

Het gedicht is onderdeel van de reeks Uitdrijving en ik zie de humor daar wel van in. Mooi die centrale 'zin' Zo is er, juist // als er niets is, altijd // wat. Lezen tussen de woorden, de muziek tussen de noten, denk ik dan even. De reeks bestaat uit zeven gedichten en verwijzen onderling naar elkaar. De laatste gaat zo:

Zij bukt zich

om iets op te rapen:
want zij had wat laten vallen.

Om haar zich zo zo te zien bukken

heb ik haar iets laten vallen.
Voor zij het vertrek verlaat
en mij achter zich dicht trekt,

laat ik het haar nog éen keer doen.

En zo is het goed: meer niet.
Eindelijk: wees weg.

Het ga je goed.

idem., 357

Ik kan me voorstellen dat iemand gefascineerd raakt door deze gedichten. Het is prachtig, je kan erin wonen! Nu begin ik te begrijpen waarom ik indertijd nog wat laatste pogingen heb gedaan om te componeren, juist bij deze gedichten. Wanneer ik het laatste gedicht uit de bundel lees, voel ik een verwantschap die ik wellicht veertien jaar geleden slechts intuïtief gevoeld heb. Volgende week ben ik een weekje alleen thuis met mijn jongste zoon. Ik denk dat ik dan maar eens achter de piano ga zitten en ga luisteren wat er komt.

Zonder begeerte, zonder hoop
op beloning, ook niet uit angst voor straf,
de roekeloze, de meedogenloze schoonheid

te fixeren waarin leegte zich meedeelt,
zich uitspreekt in het bestaande.

Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.

idem., 655

24.7.2007

brieven aan R. (3)

Waarde R.,

Nee, ik wil snellezers niet veroordelen. Daar gaat het niet om, dat weet je best. Ik begrijp maar al te goed dat veel mensen door werk en gezin geen tijd hebben om te lezen, laat staan om langzaam te lezen, want ze moeten nog zoveel lezen. Nee, soms wil ik aandacht vragen voor iets dat mij dierbaar is, maar lijkt te verdwijnen. Natuurlijk weet ik wel dat er nog langzame lezers zijn, maar ik kom ze zo zelden tegen.

Daarom was ik aangenaam verrast dat de boekenbijlage van het NRC afgelopen vrijdag over langzaam lezen ging. Alsof het een editie betrof die mensen wil aansporen om in hun vakantie langzamer te gaan lezen, maar ik weet niet of mensen dat zullen doen. Het probleem met dit soort boodschappen is altijd, dat het preken voor eigen parochie is.

Misschien vind je langzame lezers nog vooral onder lezers van poëzie. Het boek van Yra van Dijk is daar een mooi voorbeeld van. En niet alleen daarvan. Het is meteen ook een mooi voorbeeld van hoe doorzettingsvermogen beloond wordt. Mijn hemel wat kostte het me moeite om door de eerste honderd bladzijden met theorie te komen. Maar daarna, wanneer de theorie getoetst wordt aan de praktijk door het onder handen nemen van dichters en hun gedichten, dan begint het feest. Yra van Dijk kan zo'n boek slechts geschreven hebben door langzaam te lezen. Haar reisverslagen door de poetische landschappen van Leopold, Van Ostaijen, Nijhoff, Celan en Faverey kan ik iedereen aanbevelen. Ik ben er zelf weer langzamer van gaan lezen.

Ook mijn lezen is sneller geworden, want ook ik vind door werk en gezin minder tijd om te lezen. Ook ik sta wel eens voor de boekenkast en denk dat ik nog zoveel moet lezen, al weet ik heel goed dat ik het wil lezen en niet moet. Het gaat ten koste van de kwaliteit van lezen. Soms betrap ik mezelf erop, dat ik niet meer weet wat ik zojuist gelezen heb. Te weinig concentratie, te weinig aandacht. Eigenlijk kun je dan net zo goed niet lezen. Ik probeer het op te lossen door aantekeningen te maken, dat is een manier om het lezen te vertragen. Alleen, dat onderbreekt het lezen teveel. Aantekenningen maken in de marge van het boek, daar kan ik mezelf niet toe aanzetten. Volgens Manguel is het een manier om je het boek eigen te maken, het exemplaar persoonlijk te maken, maar ik blijf het lelijk vinden.

Mijn manier van vertragen is om het boek stil aan mezelf voor te lezen. Zo las mijn grootmoeder de bijbel, waarbij ik haar lippen altijd geluidloos zag prevelen. Alsof ze in gesprek was en dat is lezen natuurlijk ook: een gesprek met de tekst, iedere keer opnieuw.

Ik heb het je ze wel eens toevertrouwd in mijn studententijd, mijn dromen over een huis met boeken en zeeën van tijd om te lezen. Je waarschuwde me voor die alleenzaamheid, het gevaar te vervreemden van de echte wereld, slechts nog te leven in een wereld van boeken. Het is de kunst om juist midden in het volle leven de contemplatie te vinden en niet louter ernaast.

In oktober word ik voor de derde maal vader. Weer zal ik prioriteiten moeten stellen. Zal ik blijven schaken? Zal ik een weblog blijven schrijven? Wat lees ik wel en wat lees ik dan maar niet meer? Want lezen is voor mij als het ware een primaire levensbehoefte. Het is voor mij weliswaar geen zoektocht naar wijsheid, het is voor mij geen elitaire bezigheid, het is geen ophouden van een intellectuele schijn, nee, maar het is voor mij wel bittere noodzaak. Ook om te voorkomen dat het geloof in de mogelijkheid van beschaving, het idee van het goede, ware en schone, zomaar verdwijnt en vergeten wordt, in het niets oplost. Grote woorden wellicht, maar ik verontschuldig me er niet voor.

langzame groet,

je jwl

18.7.2007

Men kan met de auto naar Santiago de Compostela. Wanneer men zijn vakantie handig plant, raast men in kort tijd over de Franse snelwegen naar Spanje, even de Pyreneeën over en dan tuft men naar de westkust van Spanje. Prima te doen. Eenmaal aangekomen verblijft men daar een aantal dagen in een luxe hotelletje, men neemt vele foto's van de stad, of men maakt video's en koopt wat onnodige souvernirtjes voor het thuisfront. Dan raast men weer terug naar Nederland en laat men de familie, vrienden en collega's de foto's en video's zien. Men heeft even Santiago de Compostela gedaan.

Zo ongeveer lezen veel mensen een boek. Vaak kunnen ze niet meer navertellen wat ze onderweg allemaal gezien en beleefd hebben, maar het doel is bereikt: het boek is uit, men kan zeggen dat men het gelezen heeft.

Op pelgrimage naar Santiago de Compostela zou men eigenlijk te voet moeten gaan. Of men neme de fiets. Hoe dan ook, neem de tijd onderweg. Geniet van het landschap, ontmoet mensen, bekijk historische plekken. Vele mensen zijn u voor geweest, ze hebben wellicht sporen achtergelaten. Het einddoel is niet belangrijk, de weg ertoe, zegt het cliché. En men maakt natuurlijk niet alleen foto's en video's, maar houdt ook een dagboek bij waarin alle details en wetenswaardigheden, maar ook vragen en onzekerheden (die keer dat u verdwaalde, omdat u ergens in Frankrijk een oud, Romeins aquaduct zag ...) vast te leggen.

Ik heb niet de conditie om naar Santiago de Compostela te lopen of te fietsen, laat staan de tijd. Ik lees wel een boek ... te voet en geniet van het landschap op de bladzijden.

16.7.2007

Ik maak nooit wat mee, dat begijpt u natuurlijk wel. Ik lees immers alleen maar boeken die niemand wil lezen. Ik ben daar heel gelukkig mee. Verontrustend is dan wel dat er in korte tijd twee incidenten in mijn leventje plaatsvinden.

Het eerste incident was door mijn onwetendheid tamelijk onschuldig. Zo liep ik gisteren het Spui op in Amsterdam, staat er ineens een camera voor mijn neus en wordt er een microfoon voor mijn mond gehouden. Of ze mij wat mochten vragen. Nou ja, ach, waarom ook niet, het is een mooie rustige zomerdag nietwaar? Of ik die en die op televisie zou kunnen vervangen? Ik verstond de naam niet goed en ik vroeg om wie het ging. Nou, die en die (ik verstond de naam nog steeds niet goed en er ging ook geen lampje branden) van het programma Nederland in beweging, dat kent u toch wel, zou u zijn plaats willen innemen? Ik begon te grimlachen en antwoordde dat ik het programma niet kende en zeker niet sportief ben. De mevrouw met de microfoon droop af, mijn antwoord was duidelijk niet bruikbaar.

Ondertussen ben ik erachter gekomen dat het om Karl Noten ging. Karl Noten is een bekende Nederlander (een BN'er schijnt zo iemand tegenwoordig te heten), die elke ochtend een gymnastiekprogramma presenteert (presenteerde, zo begrijp ik ondertussen). Hij wordt ervan verdacht kinderporno op zijn computer te hebben gehad. Had ik dat maar geweten, mijn antwoord aan die mevrouw met de microfoon was een geheel andere geweest. Want, wie verdacht wordt van het in bezit hebben van kinderporno is natuurlijk ogenblikkelijk veroordeeld. Zo gaat dat in een beschaafd land als Nederland, waar iedereen weet wie Karl Noten is, maar niemand kan uitleggen wat een 'rechtsstaat' is. De rechter mag misschien nog anders oordelen, het leed is al geschied. Een integer programmamaker laat het recht zijn loop hebben en schenkt daar hooguit behoedzaam aandacht aan. Dan ga je niet willekeurige voorbijgangers vragen of hij de plaats van Karl Noten in zou kunnen nemen. Dat soort ranzige televisie, daar wil ik niets mee te maken hebben.

Het tweede incident vond vanochtend plaats in de trein. Ik laat altijd iedereen voorgaan bij het instappen, er zijn toch voldoende zitplaatsen. Het nut van het als eerste bij de deur staan om als eerste de trein te kunnen betreden, ik zie de zin ervan niet en de amusementswaarde van al die haastige en onrustige mensen die dat elke ochtend weer heel belangrijk vinden is voor mij ook al gedaald tot nul. Ik laat geen gelegenheid voorbijgaan om me te distantiëren van dat absurde gedrag van anderen.

Vanochtend dan kreeg ik een pijnlijke illustratie van waar dat wedstrijdelement toe kan leiden. Een jonge man en een wat oudere heer liepen voor mij de trap op van de dubbeldekstrein. Ze hadden ruzie waarbij de jonge man de oudere heer verweet geduwd te hebben bij het instappen. De oudere heer ontkende en bezwoer de jonge man zich niet zo aan te stellen: er was toch voldoende plek in de trein? De jonge man voelde zich niet serieus genomen, adrenaline en testosteron deden hun werk, er werd geduwd en gesjord, er werd tegen tassen getrapt. Ik probeerde nog een beetje met 'heren, heren, is dat nou nodig?' tussenbeide te komen, maar dat lukte natuurlijk niet. Een welgemikte kaakslag van de jonge man beëindigde het incident.

De oudere heer zat behoorlijk aangeslagen op de bank. Voorzichtig vroeg ik of het een beetje ging, me welbewust van de ongelukkige formulering. Mijn aandacht werd niet op prijs gesteld en ik werd op onbeschofte wijze uitgekafferd. Ik besloot de meneer maar in zijn eigen sop gaar te laten koken, ik was duidelijk niet de aangewezen persoon om hulp te bieden. Terwijl ik een plekje zocht zag ik allemaal nieuwsgierige blikken achter rugleuningen verdwijnen. Velen hadden gezien, niemand had iets gedaan, zoals dat gaat in onze multimediale wereld: je hoeft alleen maar te kijken, niets te doen. Terwijl ik probeerde tot rust te komen, vroeg ik me af of ik nog naar die meneer toe moest gaan. Hij zou immers aangifte kunnen doen van openlijke geweldpleging, getuigen genoeg. Ik deed het niet en toen ik in Amsterdam uitstapte zag ik hem nog zitten op het balkongedeelte, uitkijkend naar zijn tegenstander. Ik hoop maar dat hij niet het recht in eigen hand neemt.

12.7.2007

Natuurlijk maak ik me illusies, wat denkt u wel! Elke beschaving maakt zich illusies, het is noodzakelijk en onoverkomelijk! De gedachte dat we een vrije wil hebben, de gedachte dat er een fabelwereld achter de wereld bestaat, de gedachte dat er zoiets als een ziel bestaat, we hebben het nodig. De scheppende God uit de Bijbel is een projectie van de scheppende mens die zich illusies maakt. Leven in de wetenschap dat mogelijk achter de horizon de puzzelstukjes passen en inelkaar grijpen. Dat moet, dat geeft richting en laten we ons niet voor de gek houden wanneer we constateren dat de afstand tussen ons en datgene wat achter horizon ligt, altijd even groot blijft. Laten we illusies maken en genieten van het resultaat. Maar geloof nooit in de Enige Ware Juiste Illusie, want dat is de dood.

5.7.2007

Nog steeds drijven ze over, de donkere wolken van de Grote Oorlogen. Zij maken dat het goede, ware en schone niet meer met hoofdletters geschreven worden. De drie begrippen die eeuwenlang het geloof voedden dat de wereld beter kon worden, dienen alleen nog maar om het leven dragelijk te houden.

5.7.2007

Het was een ouderwetse stoel, die stoel van mijn grootvader. Het oogde massief en had kleine vierkante poten. Het zitvlak was enigszins bol, de rug laag en liep schuin naar achter en de armleuningen zaten hoog en waren gebogen. Geen leer, maar een harde stof met relief. Ik vond de stoel niet mooi, maar hij zat heerlijk en hij straalde degelijkheid uit.

Dat de stoel van mijn grootvader was geweest, sprak tot mijn verbeelding. Ik heb mijn beide grootvaders niet gekend. De vader van mijn vader was bij mijn geboorte al jaren dood, de vader van mijn moeder (en om hem gaat het hier) stierf enkele maanden na mijn geboorte. Hij heeft mij nog gezien en vastgehouden. Helaas betaat er geen foto van hem en mij. Misschien hebben we elkaar wel aangekeken in die stoel, de stoel waarin ik in mijn jeugd zoveel boeken gelezen heb.

Ik schijn op hem te lijken, vooral en profil. Het zou me niet verbazen dat het niet de enige overeenkomst zou zijn. Afgaande op verhalen is hij de enige in de familie waarbij ik enige culturele belangstelling kan ontwaren. Hij las (streekromans, in de Friese taal) en bezocht wel eens theatervoorstellingen.

Eigenaardig is dat ik herinneringen aan hem heb. Het zijn geconstrueerde herinneringen, overblijfselen van heldere dromen die ik op latere leeftijd van hem had. Dan zie ik mezelf bij hem op schoot zitten als baby en het volgende moment speel ik achter zijn stoel in de erker in het huis in Assen. In die erker stond een boekenkastje, met schuine zijkanten om het passend te maken onder het raam. Ik keek naar hem op en was enigszins bang voor die man. Toch glimlachte hij.

Zijn stoel heb ik niet meer. Maar ik lees de krant nog wel eens aan de eettafel, net als hij altijd deed volgens mijn moeder. Gisteravond moest ik eraan denken toen ik mijn oudste zoon aan de eettafel geconcentreerd een boek zag lezen.

2.7.2007

In mijn jeugd kon ik dat goed. Na schooltijd, of na mijn huiswerk, of in plaats van mijn huiswerk. Dan trok ik me terug in mijn kamer, ging in de stoel zitten die nog van mijn grootvader was geweest, pakte het boek dat ik aan het lezen was. Dan verduisterde en verstilde ik de omgeving en was er alleen nog het boek en ik. Zo las ik Dickens, Balzac, Flaubert, Toergenjev, Tolstoj ... en nog vele andere.

Toen besefte ik niet hoe bijzonder de concentratie was die ik kon opbrengen bij het lezen. Ik was gelukkig in die alleenzaamheid. Terwijl leeftijdsgenoten zich vermaakten in het uitgaansleven, zat ik daar op mijn eilandje van licht en betrad wereld van het boek. Ik begreep niet dat er zo weinig leeftijdsgenoten waren die dit ook mooi vonden.

Misschien was het een vlucht voor de grote boze buitenwereld, een vlucht voor de verplichtingen en verantwoordelijkheden van de middelbare school. Dat kan zijn, maar ik denk er met weemoed aan terug.

29.6.2007

Zou het de verdienste van het boek van Yra van Dijk zijn of is mijn concentratie weer helemaal terug? Ik weet het niet. Vanochtend in de trein viel het me weer op: ik kan weer de omgeving vergeten terwijl ik een boek lees. De aanwezigheid van de omgeving vervaagt, ik hoor de medepassagiers niet meer. Nu ik door het theoretische gedeelte van het boek ben en de theorie tastbaar wordt in hoofdstukken over dichters en gedichten, nu ben ik weer geboeid op een wijze die ik dacht verloren te hebben. Komt het door dit specifieke boek of is er iets in mijzelf veranderd?

28 .6.2007

Er is weinig dat een gesprek meer doodslaat dan de opmerking dat het een kwestie is van intuïtieve wijsheid. O, je kunt er niet over praten, je moet het voelen en als je het voelt dan wéét je dat het waar is.

Dan kijk ik de ander aan in zijn blijmoedige ogen en dan bekruipt me een somberheid, een somberheid die ook altijd in me opkomt wanneer ik de Jehova-getuige de deur wijs en hem de buren aanbeveel.

Intuïtieve wijsheid, dat is wijsheid zonder schuimkraag.

22.6.2007

In het boek van Yra van Dijk, Leegte, leegte die ademt. Het typografisch wit in de moderne poëzie, las ik de woorden van J.H. Leopold: 'de zuiging van de leegte die blijft als het geloof weg is'. Het geloof na het geloof schrijft Van Dijk erachter (blz. 119). Mijn gedachten vliegen meteen naar het bankje onder de boom naast de kerk in Taizé (zie 671).

Het verhaal gaat dat Boeddha verlichting bereikte onder een boom. Ik zeg wel eens dat ik verduistering bereikte onder een boom, ik zag God sterven, vlak voor mijn neus.

Onzin natuurlijk. Ik ben niet zomaar in een oogwenk, precies daar, van mijn geloof gevallen, als een soort omgekeerde satori. Het is een mooi beeld, een beeld dat ik graag koester, maar het kantelmoment in een overtuiging valt nu eenmaal niet te reconstrueren. Het besef komt pas later, wanneer het moment allang voorbij is. De wet van traagheid lijkt ook voor de menselijke geest te werken: men trapt op de rem, maar het duurt even voordat men stilstaat.

In Taizé ben ik de rem gaan intrappen, maar ik ben nooit tot stilstand gekomen. Ik zag God niet sterven, ik zette hem tussen aanhalingstekens. Hij was niet langer een realiteit, maar een fantasievolle mogelijkheid.

Wat ik mooi vind aan duisternis, is de belofte van een zonsopgang. Uit mijn hoofd, maar niet zeker: Nietzsche schrijft ergens dat filosofie moet zijn als een wolkenloze hemel op het middaguur. Ik vergeef het hem, ik houd niet van die helverlichte sereniteit, ik houd van een invallende duisternis met overdrijvende wolken.

Het geloof na het geloof. De leegte die het verlies van god achterlaat, men kan somberen over de afwezigheid, men kan de leegte ook zien als een creatieve ruimte. Religie als kunst. Niet vergeten dat wij de kunstenaar zijn en dat niet het kunstwerk ons gaat bepalen. Laten we Genesis omkeren: niet God schiep de eerste mens Adam, Adam was de eerste mens die God schiep.

De nachten worden weer langer!

20.6.2007

Geboren in 1967 ben ik niet opgegroeid met het besef dat Nederland ooit een enorme kolonie bezat dat Nederlands-Indië werd genoemd. Natuurlijk werd er bij het vak Nederlands op de middelbare school aandacht besteed aan de Max Havelaar en kwam Indië aan bod bij geschiedenis en aardrijkskunde. Ik las ook de boeken van Louis Couperus, maar die verre Gordel van Smaragd met zijn Stille Kracht bleef mij vreemd. Het terugkijken van Nederland op de Politionele Acties en het Molukse Vraagstuk vond ik politiek interessant, maar het was alsof het niet over mijn land ging. In ieder geval ging het mijn generatie niet aan, maar de generatie van mijn ouders en grootouders en voor het gemak hadden die het natuurlijk helemaal fout gedaan.

Met het lezen van de boeken van Jeroen Brouwers werd ik geconfronteerd met de geschiedenis van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië en de nasleep van deze bezetting. Al verliteratuurd Brouwers zijn eigen herinneringen, de lezer in zijn veilige luie stoel krijgt toch een indringend beeld van de afschuwelijke tijd die veel Nederlanders daar hebben meegemaakt. Wat ik las bij Brouwers kwam ik later tegen in mijn schoonfamilie. Lieve mensen die in hun kindertijd beschadigd waren door de jappenkampen, de Bersiap en de 'thuiskomst' in Nederland. Hoe lang geleden ook, zij dragen deze dramatische geschiedenis met zich mee. Onherstelbaar.

Nu ik het meinummer van De Gids over Indische schrijfsters lees, merk ik dat ik anders tegen Nederlands-Indië ben gaan aankijken. De nieuwsgierigheid naar de geschiedenis van Indië voor de Japanse bezetting is een andere geworden nu ik met mijn vrouw een familie heb die daar verhalen over kan vertellen. Daarnaast valt me op met wat een liefde en enthousiasme de bijdragen voor dit nummer van De Gids geschreven zijn. Het werkt aanstekelijk, ik wil die boeken weer gaan lezen. Hoewel de tekst hetzelfde is gebleven, zullen het voor mij ineens andere boeken geworden zijn.

19 .6.2007

Mijn lagere school lag aan de rand van het dorp. Vanaf het schoolplein kon ik uitkijken over de weilanden en zag ik boerderijen omgeven door bomen, dorpen met kerken op terpen, koeien en schapen en soms een boer met zijn tractor aan het werk op het land.

Het was een wereld met een horizon. Altijd was er die streep in de verte die de hemel liet beginnen boven de aarde. Op die grens zag ik de wereld zich als een silhouet aftekenen tegen de hemel. Het markeerde ruimte en leegte.

In de tijd van de middelbare school werd die horizon al minder. Na twee kilometer fietsen raasde aan de andere kant van de sloot een snelweg. Na het volgende dorpje zag ik dan links de gebouwen van vliegbasis Leeuwarden zichtbaar worden, daar werkte mijn vader. Eenmaal in de stad was er van een horizon geen sprake meer.

Nu woon ik al langer in de Randstad dan erbuiten. Ik ben gewend geraakt aan het gemis van een horizon, letterlijk en figuurlijk, maar mijn innerlijk behang blijft het landschap van Friesland. Niet alleen de weilanden met de boerderijen en de dorpjes met de kerktorens, maar vooral ook de hemel erboven, een hemel waarin nog een God woonde. De hemel waarlangs in de herfst zo prachtig de donkere wolken kwamen aanzeilen boven de lage horizon.

Het raakvlak tussen hemel en aarde intrigeert mij. Daar vindt het schimmenspel plaats tussen de mens en de natuur, daar botsen de redelijkheid en de religieuze luchtfietserij. Maar dan moet er wel uitzicht zijn en stilte, zodat ik niet tegen muren oploop.

Ooit, ooit ga ik terug! Nu vind ik het slechts waar ik thuis ben: in mijn gezin, onder vrienden, soms in een mooi boek of muziek. Maar vooral: daar waar ik kan herinneren.

7.6.2007

Het bord en de stukken. En de klok en het notatieformulier. Vergeet bij het schaken je tegenstander, speel de stelling op het bord. Vergeet ook de andere aanwezigen, de speelzaal en de wereld buiten de speelzaal. Het is een gevecht met jezelf.

Zo ongeveer zou ik ook mijn weblog moeten schrijven.

5.6.2007

Vragen als Wat vind jij nou goede muziek? of Waar moet volgens jou een goed boek aan voldoen? weet ik niet goed te beantwoorden. Ik heb geen samenhangende visie op muziek of literatuur. Mijn antwoord zal bestaan uit wat losse gedachten met vage begrippen als leegte en eenvoud en het verwijzen naar muzieken en boeken die op mij indruk gemaakt hebben. Het is bij mij niet zo uitgesproken, maar als ik me uitspreek, verwonder ik mezelf. Dus zo denk ik erover, constateer ik dan achteraf.

Een voorbeeld van wat ik mooi vind is de film Father and Daughter van Michael Dudok de Wit. Misschien is het voor mij wel een ijkpunt.

Ik heb enorme bewondering voor het vakmanschap van Dudok de Wit. Hij heeft goed gekeken naar het voortbewegen van een fiets, naar het ronddraaien van het fietswiel. Ook de subtiele bewegingen van de personages verraden dat Dudok de Wit goed gekeken heeft naar lichaamstaal. Er zijn geen woorden nodig in deze film, soms vertellen minimale bewegingen al genoeg.

Daarnaast heeft Dudok de Wit gevoel voor wat hij weg moet laten. De kijker vult zelf wel in, daar hoeft de kunstenaar niet voor te zorgen. Natuurlijk heeft Dudok de Wit ook gekozen voor een landschap waar leegte aanwezig is, het Nederlandse polderlandschap. De horizon, de rechte lijnen van de dijk, de schaduwen en het licht, het is genoeg voor mij.

Dan zijn er de verschillende niveaus in ritme die Dudok de Wit heeft aangebracht. Het wisselen der seizoenen, het ouder worden, de montage en het rime van de muziek.

Maar bovenal weet Dudok de Wit mij te raken. Elke keer wanneer de vader de dijk afdaalt naar het bootje, omdraait en omhoog rent om zijn dochtertje nog een laatste maal vast te houden, schiet ik vol. Dudok de Wit maakt er geen groot drama van, hij toont en de kijker kan invullen, navoelen. Het heen en weer rennen van het dochtertje terwijl de vader naar de horizon verdwijnt, versterkt deze emotie in mij.

Dudok de Wit creëert ruimte, ook buiten het beeld. De vader verdwijnt achter de horizon, de fietsers komen het beeld binnen, de bladeren zitten links vast aan een boom buiten beeld. Vooral: de schaduw vertelt ons dat er een zon is. De leegte die ruimte is, suggereert een wereld die groter is dan wat we zien en horen. Er is iets afwezig, maar wat is er afwezig? (Niet invullen alstublieft!)

Weet u hiermee nu wat ik goed vind? Of heb ik nu alleen geprobeerd uit te leggen wat ik geweldig vind aan de film Father and Daughter? Sluit de beschrijving een tegengestelde film uit in mijn voorkeuren?

Ik ben niet in staat om criteria te geven waar volgens mij kunst aan zou moeten voldoen. Ik ben hooguit in staat om enthousiast te vertellen waardoor ik geraakt word en ik besef maar al te goed dat dat heel persoonlijk is. En daarbij: houdt mijn voorkeur voor eenvoud en leegte niet meer verband met mijn eigen sensitiviteit dan met een algemene norm voor goede kunst?

31.5.2007

Ik kom ze nog wel eens tegen, mensen die nog de romantische opvatting hebben dat muziek bovenaan staat in de hiërarchie van de kunsten. In de tijd dat ik nog gevoelig was voor dergelijke indelingen, antwoordde ik stevast, dat ik de dans superieur achtte aan muziek. Dans komt voort uit muziek, muziek zet mensen in beweging, fysiek en emotioneel, en dans kan daar een kunstzinnige uiting van zijn.

Tegenwoordig vind ik het aanbrengen van een rangorde in de kunsten nonsens en ben ik er niet meer toe te verleiden. Toch moest ik er even aan terugdenken toen ik het afgelopen weekend een artikel in het NRC Handelsblad las over de dansers Akram Khan en Sylvie Guillem.

www.sylvieguillem.com

24.5.2007

Het West-Europese (zen)boeddhisme is uiteindelijk wellicht niet meer dan een opgeblazen calvinisme. Zonder god, kerk en dominee natuurlijk.

24.5.2007

Na een paar uur schuifelen door het museum bekroop me een gevoel van vervreemding. Weliswaar was ik gefascineerd door de voorwerpen in de vitrines, maar die fascinatie was niet zonder bijgedachten. Zoals in een dierentuin op een gegeven moment geconstateerd wordt dat 'die dieren toch eigenlijk niet in een kooi horen', zo vond ik dat die voorwerpen hier niet in een museum thuishoorden.

Daarnaast besefte ik, dat ik naar een wereld keek die in mijn eigen wereld zeldzaam is geworden. Een handgemaakte wereld, een wereld van ambachten. Elk voorwerp kan zo boeiend zijn om naar te kijken, omdat het niet van de lopende band gerold is. Al of niet met behulp van gereedschap is het gemaakt met handen, is het kostbaar omdat het noodgedwongen zoveel aandacht kostte. Natuurlijk materiaal, gehaald uit de eigen omgeving, omgevormd tot iets wat in het dagelijks leven een functie heeft, eenvoudigweg gebruikt werd. Gemaakt om aan te trekken, om mee te vechten, om water mee te schenken, of om in een heiligdom te zetten.

Ik kijk naar sandalen. Gemaakt van boomschors? Wie heeft die sandalen gemaakt? Wie heeft er ooit op gelopen? Is het niet ronduit belachelijk dat dat sandaaltje nu hier in een vitrinekast ligt, uitgelicht door vele spotjes, in een ruimte waar de luchtvochtigheid laag gehouden wordt door een kostbare machine? Gecollectioneerd om te bewaren en om bestudeerd te worden. De oorspronkelijke eigenaar zou het vast niet begrijpen om zijn sandalen hier te zien liggen, bekeken door een vreemde man die er later een tekst van maakt die weer door anderen op een beeldscherm gelezen wordt.

www.volkenkunde.nl

23.5.2007

Datgene wat bevrijdend werkt, is doorgaans meteen het materiaal waamee een nieuwe gevangenis wordt opgericht.

9.5.2007

Bosch en Duin 1986-1989 II (12)

Door onze omzwervingen was de middag snel verlopen. We hadden niet veel meer tijd om in Bosch en Duin te blijven, want we wilden in de mensa in Utrecht eten.

Bij de mensa wachtte ons opnieuw een verrassing: het was gesloten. Natuurlijk, het was maandag, dan is het altijd gesloten! Moe van het vele lopen wilden we niet te lang meer zoeken naar een goedkoop restaurantje, dus kozen we de eerste pizzeria die zich aandiende. Daar zaten we dan als een verliefd stelletje in een donker hoekje aan een te klein tafeltje, brandende kaars tussen ons in. De hele dag hadden we plezier gehad, hadden we eindeloos gepraat. Nu waren we moe, we hadden honger, we zwegen. H. was desalniettemin vrolijk, ze kon de stilte aan, ik ditmaal niet. Je bent mooi als je níet boos kijkt, probeerde ze me op te vrolijken, maar ik begreep haar niet. Ik ervaarde plotseling een enorme kloof. Ik keek in haar mooie bruine ogen, ze straalden, en ik vroeg me opnieuw af: wie ben jij eigenlijk? Waarom kwam jij op mijn pad? Waarom?

De pizza en de wijn deden me goed. We hadden afgesproken dat we nog een film zouden gaan kijken. Ik mocht haar verrassen met mijn keus; later, als ik haar weer eens in Amsterdam zou bezoeken, zou zij een film uitzoeken. Terwijl we naar filmtheater 't Hoogt liepen, vertelde ik haar over de film die we gingen bekijken.

We gingen naar Du mich auch, een Duitse film over twee verliefde straatmuzikanten. Eigenlijk kunnen ze niet samenleven, maar ze willen de pijn van een scheiding ook niet. Wanneer ze bij een schnabbel verdacht raken van moord, moeten ze op de vlucht. Het is een hilarische film, avontuurlijk, in zwart-wit. Nooit zal ik de scène vergeten waarin Julia aan Romeo vraagt Du, Romi, findest du mich noch erotisch?

Terwijl menig stelletje in de filmzaal tegenelkaar aan kropen, bleven wij louter vrienden. Ik was te ernstig en te verwachtingsvol om toe te geven aan mijn gedachten, voor H. zou het te vluchtig zijn en het einde van een vriendschap. Dus gebeurde er niets. We genoten van de film en keken elkaar zo nu en dan lachend aan.

Na afloop wisten we nog een rustig plekje te vinden in café 't Neutje. We vonden elkaar weer terug, de film had voor de nodige ontspanning gezorgd. Toch voelde ik de bitterheid van het naderende afscheid, deze mooie dag met mijn dierbaarste vriendin zou spoedig voorbij zijn. Het was zo anders gelopen dan ik had gedacht: ik stond boven op een berg, ik genoot van het prachtige zonovergoten uitzicht, maar was me tevens voortdurend bewust van de gapende afgrond.

Toen we op het station op de trein naar Amsterdam wachtten, ervaarde ik het weer. We waren verschrikkelijk dichtbij elkaar, maar de onderlinge afstand was tegelijk enorm groot. Het evenwicht dat we deze dag gevonden hadden, was breekbaar. Misschien waren we die dag pas vrienden geworden.

Terwijl de trein langzaam over het helverlichte emplacement in de verte verdween, voelde ik een enorme leegte in me opkomen. Ik keek om naar het bankje waar we tegen elkaar aan gewacht hadden op de trein. Nu was er alleen nog maar afwezigheid.

Een paar dagen later zat ik zelf weer in de trein naar de plek waar het allemaal begonnen was. Ik ging voor de vierde maal een week naar Taizé, de laatste maal met een groep vanuit mijn voormalige middelbare school. Over dit bezoek heb ik al kort eerder (zie 671) geschreven. Het markeert een begin van een afscheid, een afscheid van een wereldbeeld wat tevens in zekere zin ook een afscheid van Bosch en Duin was. Meer nog dan mijn behoefte aan alleenzaamheid moest ik een knagende honger erkennen, een honger naar verbondenheid met mensen.

Einde van deel II.

27.4.2007

Toen zij na het overlijden van vader het ziekenhuis verlieten, heerste buiten nog de stilte van de vroege ochtend, de tijd van de metten. In die stilte begon een vogeltje te zingen, een magisch moment. Op het graf van mijn schoonouders staat nog steeds een beeld van een vogeltje, zingend, gevat in steen.

Dit zelfbewustzijn 'met open zinnen' kan in de volle natuur leiden tot het gevoel van een 'tijdelijke versmelting' met de omgeving. Lemaire noemt deze extatische, natuurmystieke ervaring een 'immanente transcendentie'. Zo'n ervaring kan worden opgeroepen door het gezang van een vogel: 'Een mooi zingende vogel kan ons vervullen met de volheid en eeuwigheid van het moment'. Ter illustratie haalt hij een bekende strofe van Rilke aan: 'Durch alle Wesen reicht der eine Raum: / Weltinnenraum. Die Vögel fliegen still / durch uns hindurch. O, der ich wachsen will, / ich seh hinaus, und in mir wächst der Baum.'
'Ik neem afstand van het zoeken naar een zin buiten de wereld', zegt Lemaire over zijn boek. 'Om het antropocentrisme te doorbreken, zouden we een "natuurreligie" moeten kiezen. Maar we kunnen de onttovering van de natuur door de natuurwetenschappen niet ongedaan maken. Ik distantieer me daarom van de mystificatie van de natuur, van dweperij. Ik houd afstand tot zowel de biologie als de natuurreligie en blijf uiteindelijk een westerse intellectueel die zich bewust is van zijn eigen beperkingen.'

Ton Lemaire in: Vanno Jobse 'Ik ben harstikke rationeel en tegelijk een romanticus' Filosofie Magazine 16/4, 14

Het is alweer enige tijd geleden dat ik het boek Met open zinnen van Ton Lemaire las. Ik was erg onder de indruk en ik besloot om het ooit te herlezen. Daar is het niet van gekomen en ondertussen publiceerde Ton Lemaire nieuwe boeken. Onlangs kwam zijn nieuwe boek Op vleugels van de ziel. Vogels in voorstelling en verbeelding uit. Voor Filosofie Magazine aanleiding om hem eens te interviewen. Ik kan u dat interview van harte aanbevelen, ook al gaat het gesprek niet diep, het geeft een aardig beeld van de persoon Lemaire. Hier en daar herken ik mezelf in uitspraken van hem. Ondertussen ben ik Met open zinnen aan het herlezen en het pakt me nog steeds. Met open zinnen is geschreven in enthousiasme en bewondering voor de schoonheid van de aarde, maar ook uit bezorgdheid om haar eigen toekomst vanwege bedreigingen door de moderne wereld in de fase van haar globalisering. (...) Het boek is geschreven met passie maar ook met een zekere melancholie; beide komen voort uit een leven met open zinnen. (Voorwoord, blz. 5).

Dan begint opeens een vogel te roepen, meestal een merel, lijster of roodborst, aarzelend nog als timide om de stilte te verbreken; misschien kraait ergens een haan. Maar dan volgen er spoedig andere, de bedeesdheid verdwijnt en van alle kanten barst een vogelkoncert los waarin zich ook, zodra hij van de trek terug is, de koekoek mengt. Het licht is nog teer en zwak, soms hangt in de dalen en tussen de bomen in slierten de nevel. De dingen hebben nog weinig vorm en lijken zich met elkaar te vermengen, maar langzaam wordt het licht sterker en nemen ze vastere vormen aan. De laatste roofdieren gaan op weg naar hun hol en wanneer de zon boven de horizon verschijnt, stijgt de eerste leeuwerik juichend omhoog, de hemel tegemoet.

Ton Lemaire Met open zinnen, 11-12

Schat, mag de muziek uit? Die vogel is er weer!
Ik hoor hem, hij zit weer in de boom in de tuin twee huizen verderop. Een merel waarschijnlijk. Hij kan urenlang zingen. Toen we hem een aantal dagen niet gehoord hadden, waren we bang geweest dat hij verjaagd was door de buurtkatten. Maar hij is terug en het zingen niet verleerd. Daar kan geen muziek tegenop, zelfs niet van Olivier Messiaen.

Dan moet ik even aan mijn schoonvader denken. Ik zie ons weer zitten met een fles Jameson tussen ons in. In gedachten hef ik het glas, glimlach en sla het achterover.

25.4.2007

Ik had haar wel gezien, maar ik was verdiept in mijn lectuur. Het was toch al moeilijk om me te concentreren met die kwakende gansjes aan de andere kant van het gangpad. Vanuit mijn ooghoeken zag ik haar steeds kijken, naar mijn boek en dan weer naar mij. Ja, ik lees, dacht ik nog, is daar iets bijzonders aan? Er zijn zoveel mensen die nog lezen en vooral in de trein. Onverstoorbaar haal ik een aantekenboek en een pen uit mijn tas. Ik noteer: 19-4-2007 masturbatie en slechte ogen (653), slechts als een geheugensteuntje, want ik kan nooit wat terugvinden in boeken.

Pythagoras zegt dat ons zaad het schuim van ons beste bloed is. Volgens Plato is het de uitstroming van het merg uit de ruggegraat, en als argument daarvoor voert hij aan dat die plaats bij de geslachtsdaad het eerst vermoeid raakt; Alcmaeon zegt dat het een deel van de hersensubstantie is; en het bewijs daarvoor is, zegt hij, dat mensen die zich bij deze verrichting bovenmatig aftobben slechte ogen krijgen.

Michel de Montaigne Essays, 653

Wanneer de trein over de brug bij Utrecht gaat, is het voor mij tijd mijn spullen op te ruimen, ik moet zo uitstappen. Dan grijpt ze haar kans.

Meneer, weet u of deze trein in Driebergen-Zeist stopt.

Geheel naar waarheid antwoord ik: Geen idee, ik stap altijd in Utrecht uit.

O, gaat ze verder, ja, dan moet ik zo maar vanuit de deur naar de borden kijken. Ach, weet u, ik ben er zo gespannen van, dat ik er zelfs niet van kan lezen!

Dat snap ik niet, maar ik zeg: Dat begrijp ik....

Even is het stil. Dan komt het.

Ja, het brandt op mijn lippen om het u te zeggen, maar ik wil u vertellen dat ik nog in Frankrijk heb gezien in – hier noemt ze een onverstaanbare plaatsnaam – waar Montaigne woonde, waar hij schreef en het uitzicht vanachter zijn werkplekje....

Aha, onderbreek ik haar, ja, het is een bijzondere schrijver. Ik ben daar nooit geweest, maar het zal vast een belevenis geweest zijn. Ik sta op om uit te stappen en wens haar nog een goede reis verder. Ik maak dat ik wegkom.

Natuurlijk kijkt ze niet of de trein in Driebergen-Zeist stopt.

Terwijl ik naar huis fiets en me stoor aan het gedrag in het verkeer van anderen, vraag ik me af: zou Montaigne slechte ogen gehad hebben?

19.4.2007

Soms herken ik mezelf in degene die ik nu ben.

12.4.2007

Bosch en Duin 1986-1989 II (11)

Componeren kreeg door mijn studie een extra betekenis. Door zelf te componeren kon ik enigszins ervaren hoe het is om muziek te schrijven. Waarom die noot en niet een andere? Wat is op deze plek de juiste noot? Wat wil ik de luisteraar aandoen? Hoe structureer je een compositie en waarom juist op die wijze?

Op 20 juni 1988 kon ik dan ook ervaren wat het is om een compositie van jezelf in première te horen gaan. Weliswaar niet in een koncertzaal, maar in een ontruimde collegezaal van het Instituut voor Muziekwetenschappen. Ik gooide mezelf voor de leeuwen, het publiek bestond louter uit studenten musicologie, waarvan sommigen ook een opleiding aan het conservatorium volgden.

Ik was erg nerveus. D. had nog voorgesteld dat ik een inleidend praatje zou houden, maar dat wilde ik niet, muziek moet voor zichzelf spreken. D. hield zelf een korte introductie en ging toen spelen.

Ik zal dat moment nooit vergeten. Het liefst had ik me overal en nergens verstopt, had ik het publiek willen wegtoveren. Tegelijkertijd was ik razend nieuwsgierig naar de reacties. D. speelde prachtig (al vond ik het tempo nog steeds te hoog), zijn spel was beheerst, zijn timing redelijk goed. Hij wist het met gevoel en spanning te spelen. Ik was hem dankbaar dat hij mijn stuk zo serieus nam.

Na enige tijd (het stuk duurt ongeveer twintig minuten) kwam er toch wat geroezemoes. Enkelen uit het publiek begonnen veelzeggend naar elkaar te glimlachen en op de horloges te kijken. Ik was er bang voor geweest, maar gelukkig bleef het beperkt tot een kleine groep. D. sloot af met een mooi gevoel voor verstilling, even kon men een speld horen vallen in de zaal. Toen kwam er een welwillend aplausje. Ik maakte dat ik wegkwam.

Nooit zou ik zoiets weer doen, ik was kapot van de spanning, ik had het gevoel gehad volkomen naakt te staan voor de hele wereld. Ik hoorde in de wandelgang wat lullige opmerkingen, anderen beperkten zich tot de constatering dat ze het wel wat lang hadden gevonden. Teveel herhaling, vond een ander. Eén studente had het meditatief gevonden en voor die reactie was ik haar dankbaar. D. feliciteerde mij, ik heb hem eindeloos staan bedanken voor deze vriendendienst.

De angst die ik voelde voor het oordeel van anderen, dat had ik nog nooit zo intens gevoeld. Nooit zou ik meer op een dergelijke wijze in het middelpunt willen staan.

De volgende avond schreef ik een verslagje aan H.. Uiteindelijk zou ik het driedelige stuk aan haar opdragen, maar zover was het nog niet. Ik miste haar ontzettend de dagen na het Open Podium. Ik was flink uit balans en ik merkte dat ik haar vriendschap meer dan ooit nodig had. Zij bevond zich buiten mijn musicologenwereldje, die afstand had ik nodig. P. stimuleerde me uiteindelijk om haar te bellen en dat deed ik. Ze kwam met het voorstel om me op te zoeken in Bosch en Duin, nog voor mijn vakantie naar Taizé.

Afgezien van P. en mijn ouders, kwam er maar zeer zelden iemand mij opzoeken in mijn kamer in Bosch en Duin. Het was mijn wereld, mijn thuis en mijn kluis, de plek, hoe eenzaam ook, waar ik veilig was en volkomen mezelf kon zijn. Wie daar binnenkwam, betrad mijn wereld. Ik hoopte, dat ik die dag iets van het gevoel terug te kunnen vinden dat ons toen in Taizé zo had verbonden.

Het werd een buitengewoon surrealistische dag. Het was prachtig weer en nadat we wat gedronken hadden, stelde ik voor wat te gaan wandelen in het bos. We liepen richting Zeist en zodra we een paadje hadden gevonden dat nu eens niet naar een villa leidde, zijn we het bos ingelopen. We deden wat wij het beste konden: praten, ouwehoeren, lachen. We liepen in hetzelfde tempo. Soms keek ik even opzij en dan dacht ik: wie ben jij? waarom jij? waarom niet wij?

Misschien kwam het, omdat we zo inelkaar op gingen, dat we niet merkten dat het weer betrok. Toen de eerste druppels vielen, besloten we dat het verstandig zou zijn terug te gaan. Alleen, we konden de weg terug niet vinden, we waren verdwaald. Toen we bij een golfterrein uitkwamen, besloten we te zoeken naar een eventueel clubgebouw. Dat vonden we, we waren ondertussen drijfnat van de regen. Ineens begon H. te rennen naar een auto op het parkeerterrein, overlegde met de bestuurder en wenkte me toen. De bestuurder was beduusd, hij had mij niet gezien en ineens zat hij met twee verzopen katten op de achterbank die een lift van hem kregen. Het zette ons af bij een Chinees restaurant, vlakbij Zeist en omdat het nog steeds regende, besloten we om maar naar binnen te gaan. Het zag er wel heel erg luxueus uit van binnen. Terwijl H. naar het toilet ging om zich wat te drogen, kwam er een ober naar mij toe. Wat wij kwamen doen. Wat doe je zoal in een restaurant, vroeg ik voorzichtig. Dat wij eigenlijk niet gekleed waren voor zijn restaurant, maar als wij na een drankje zouden vertrekken, hij er verder geen probleem van zou maken. Het liefst was ik meteen opgestapt, maar een blik naar buiten vertelde me dat dat nog niet verstandig was. Toeval of niet, onze drankjes waren op toen het buiten opgeklaard was.

12.4.2007

Ineens was het idee bij mij opgekomen en dus ging ik naar zolder om de videoband te zoeken. Ik wist wel ongeveer waar het lag, ik maakte me alleen zorgen over de kwaliteit. We hadden het al zolang niet bekeken, wellicht zou de band het niet meer goed doen.

Dat viel alleszins mee. We gingen terug in de tijd, naar Spanje, vijftien jaar geleden. Een theater in Murcia, ergens in april, in de tijd van Pasen. De volgende dag zouden de processies door de stad gaan.

"Kijk daar zit ik", zegt mijn vrouw plotseling, "en kijk M. in het koor en M. achter de viola da gamba". Het feest der herkenning. Uiteindelijk vinden we mij ook, in het koor tussen de tenoren. W. was toen 19 en zat achter het klavecimbel, ik was 24 en stond in het koor. Ik zag haar wel, zij mij niet. Ik vond haar leuk, intrigerend, zij vond mij maar een sloom sukkeltje.

Zo zitten we toch nog op Goede Vrijdag naar de Mattheüs Passie te kijken en te luisteren. De kwaliteit van de uitvoering valt ons nog mee, in onze herinnering was het allemaal veel slechter. Verwonderd kijken we naar al die mensen die we gekend hebben, maar vooral ook naar onszelf. Zij achter het klavecimbel en hij in het koor, nog onwetend van de mogelijkheid dat we vijftien jaar later getrouwd voor de televisie zitten terug te kijken, terwijl onze jongens op bed liggen te slapen. Soms zou je terug willen naar toen om het aan jezelf te vertellen.

7.4.2007

Een opera op televisie vertonen kan de filmer een probleem opleveren. Menig opera heeft namelijk een ouverture, een orkestrale inleiding bij gesloten doek. Wat toon je dan?

Ooit zag ik een mooie productie van Wagners Parsifal op televisie. Wellicht rond Pasen, want de derde akte speelt zich af op Goede Vrijdag. Voor de ouverture had men domweg de camera in de orkestbak geplaatst en zo konden we kijken naar het dirigeren van Daniel Barenboim. Ik vond het fascinerend! Eigenlijk doet Barenboim niet zoveel, maar wat hij doet is effectief. Het zou me niet verbazen dat die ouverture ook een lastig stuk is voor dirigenten. Wagner componeerde over de maat heen, waardoor de zware maatdelen nauwelijks klinken en er ritmisch weinig houvast is. Tel daarbij op dat deze ouverture bijzonder kwetsbaar is door allerlei lastige inzetten die vooral niet ongelijk mogen zijn. Het lijkt allemaal zo eenvoudig bij Barenboim ...

6.4.2007

Bosch en Duin 1986-1989 II (10)

Op 30 mei 1988 ontving ik een brief van E. met een schrikwekkend verhaal. Hij had zijn ex-vriendin weer ontmoet en was daardoor in een diepe depressie geraakt. 's Nachts was hij zijn kamer onvlucht uit angst dat hij zichzelf wat zou aandoen. De treinen reden op dat tijdstip niet meer en toen had hij besloten om helemaal liftend van Leeuwarden naar Bosch en Duin te komen! Onderweg was hij ten einde raad gestrand in Kampen, alwaar hij hulp had gezocht bij een vriendin en daar werd hij goed opgevangen. Ik was diep onder de indruk van dit verhaal. Niet alleen maakte ik me zorgen om mijn vriend die zo ver weg in nood zat, ook was ik getroffen door dit teken van grote vriendschap.

P. keerde terug van een tournee in Italië met het USKO. Ik had zijn trouwe bezoeken en zijn nuchtere raad gemist. Maar juist in deze tijd zou ik zijn stabiele aanwezigheid steeds vaker moeten missen: hij was verliefd en daar zou hij veel tijd en energie in gaan steken. Haar naam scheelde precies één letter met H.

Het collegejaar liep ten einde en het was traditie dat er in de laatste weken voor de vakantie een Open Podium gehouden zou worden. Veel studenten volgden ook een opleiding aan het conservatorium en konden hun talenten laten horen op deze avond. Het idee om een compositie van mijzelf op die avond te laten klinken, begon langzaam maar zeker vorm te krijgen. Ik vertrouwde mijn eigen pianospel niet op een vleugel, daarom vroeg ik D. of hij het misschien wilde doen. Na enige aarzeling wilde hij het wel proberen en ik gaf hem een kopie van mijn zojuist voltooide, tweede deel van Taizé. Toen hij het een aantal dagen later voorspeelde was de ontluistering groot: hij had er helemaal niets van begrepen! Afgezien van enkele leesfouten door mijn handschrift, had hij het tempo veel te hoog genomen. Omstandig legde ik hem uit waar het stuk over ging. Over de aankomst op een plek waar meditatie en stilte belangrijk waren. Dat er in die stilte ruimte onstaat voor een verhaal, een confrontatie met je eigen gedachten, met jezelf. In mijn geval was dat mijn liefde voor H.. Het moest langzamer en heftiger, elke noot had betekenis en zonodig kon ik het hem uitleggen. D. ging helemaal mee in mijn enthousiasme.

Na twee maanden stilzwijgen kwam er ook weer een levensteken van H.. Ze had het druk met haar studie, maar ze was me niet vergeten. Ik was blij met de brief, gewoon blij. Ik had het ook druk, maar niet met mijn studie, al was dat absoluut noodzakelijk! Nee, terwijl H. zich druk maakte over tentamens en roddel en achterklap dat haar een reputatie in haar vriendekring had bezorgt (Ik ben een femme fatale, duik rücksichtslos met iedereen in bed, drijf mensen tot zelfmoord en heb al een heel spoor gebroken harten achtergelaten.) – bruiste en gistte het in mijn hoofd. De onmacht om mijn gevoelens naar H. te uitten, de bezorgheid om E., de dreigende ramp met mijn studie, de zelfgezochte spanning voor het Open Podium waar ik mijn stuk voor de leeuwen zou werpen, de angst P. te verliezen aan zijn nieuwe vriendin ... Het voelde alsof ik in een draaikolk zat zonder uitzicht op houvast. Ik vluchtte in lezen, lezen en lezen ... hele dagen lang. Een dag als de volgende zou de rest van mijn studie schering en inslag blijven.

Ik bracht de dag voornamelijk lezend, rokend, etend en drinkend door (...). "Doktor Faustus" is nog steeds mijn lectuur en waarschijnlijk zal ik niet aan iets anders beginnen, voordat ik dit boek uit heb. Het blijft een indrukwekkend werk van Thomas Mann, die alle bewondering verdiend. Zijn schrijven over "Musik und Philosophie" heb ik nauwelijks gelezen en dat wordt dus tijd.
Meteen nadat ik dit neergeschreven had, ben ik in het artikel "Niezsche's Philosophie im Lichte unserer Erfahrung" van Th. Mann gaan lezen. Na enige pagina's laat Mann een anecdote over Nietzsche's bezoek aan Keulen volgen, die ogenblikkelijk herinnert aan wedervaren van Adrian Leverkühn. In combinatie met de ziekten waaraan de beide personen leden, ga ik me afvragen in hoeverre Nietzsche voor Leverkühn model heeft gestaan. (dagboek 27 mei 1988)

Meer dan in het branden van kaarsjes en wierookstokjes, mediteren, lezen over karma, de planeten en de zoveelste buitenzintuigelijke dimensie, vond ik rust in de denkwerelden van anderen. Via Thomas Mann kwam ik weer terug bij Nietzsche. Ik voelde me thuis bij deze brievenschrijvende dolende filosoof. Op 1 juni schrijf ik, dat ik begonnen ben in Morgenröte.

5.4.2007

Bosch en Duin 1986-1989 II (9)

Het leek wel alsof iedereen ineens relatieproblemen had. Ik probeerde een vriend te zijn, maar hoe kon ik anderen tot steun zijn, terwijl ik zelf zo onervaren was? Arme P., op zijn verjaardag waren alleen zijn ex en ik aanwezig, de andere genodigden konden niet. Ja, hij onderhield contact met zijn ex, ze was zo depressief en aangezien ze al eens eerder zelfmoordpogingen had gedaan, maakte P. zich zeer bezorgd. Feestelijk wilde de verjaardag niet worden.

Van E. ontving ik wanhopige brieven. Ook zijn relatie was beëndigd. Zijn geschreven somberheid stond in schril contrast met zijn vrolijkheid bij mijn bezoekjes aan hem in Leeuwarden. Daarbij verbaasde ik me altijd over zijn vlotte manier van sociale contacten leggen, E. had charme. Echter, zijn onvermogen om alleen te zijn, maakte hem diep ongelukkig en in zijn eenzaamheid gooide hij alle ellende op papier en stuurde het naar mij.

Terwijl ik op 29 februari 1988 ironisch in mijn dagboek noteerde: (...) luisterend naar het Requiem van Johannes Ockeghem: goed voor je bloeddruk ... – probeerde H. een brief aan mij af te maken. Een paar dagen later vond ik het in de brievenbus. Zes kantjes over koetjes en kalfjes, geen woord over de gebeurtenissen in het voorgaande najaar. De brief gaat voornamelijk over haar verhuizing van haar ouderlijk huis naar haar eerste kamer in de Vogelenzangstraat in Amsterdam. Kom vooral eens langs.

Natuurlijk wilde ik meteen een brief terugschrijven, maar ik dwong mezelf te wachten. Dat lukte een paar weken en ik was stomverbaasd dat op mijn brief nagenoeg per kerende post werd gereageerd. Ze had met twee vriendinnen geen gelukkige hand gehad in hun keuze van onderdak: hun huurbaas was niet betrouwbaar gebleken. Wanneer ik haar op dat adres nog wilde bezoeken, dan moest ik wel snel zijn. Daarbij twee gedichten van Christina Rossetti en een uitgeknipt krantenartikel met een column van Boudewijn Büch: De erotiek van een triljard kussen.

Ik begreep er weinig van. Terwijl ik een houding probeerde te vinden in deze vriendschap, waarbij ik haar niet tot last wilde zijn met mijn gevoelens, stortte zij zich er met overweldigende energie en vrolijkheid in. Ik moet nog glimlachen als ik haar avonturen lees. Een ongecompliceerde oase in de woestijn was zij voor mij in die tijd. Ze was iemand bij wie ik me welkom kon voelen, bij wie ik kon zijn zoals ik was. Dat was meteen ook het probleem.

Het was een stralende dag, bijna onbewolkt. Het bezoek aan H. op 12 april 1988 heb ik zeer gedetailleerd in mijn dagboek beschreven, alsof er niets in mijn herinnering verloren mocht gaan. Het was een eigenaardig bezoek, ik leerde die dag een andere H. kennen. Die dag was zij een jonge vrouw die net een paar maanden samen met vriendinnen een etage huurde en genoot van haar vrijheid. Er begonnen stiltes te vallen die niet meer louter stilte waren.

We liepen naar het Vondelpark en ik vertel over het idee, dat alle materie beweegt en geluid maakt volgens harmonische principes. Zij heeft wel eens horen beweren, dat wij zelf de wereld creeëren. We aten een ijsje, ik rookte een sigaretje, we luisterden naar de bongospelers en hadden plezier om de joggers. Terug in de Vogelenzangstraat aten we samen met de huisgenoten. Ik werd steeds zwijgzamer. De wereld van de vriendinnen was voor mij vreemd en ik voelde me ongemakkelijk. Ik probeerde me te redden met mijn humor ("wil je ook een appel?" "Nee, laten we dat maar niet doen, dat is al eens eerder fout gegaan"), maar uiteindelijk leerde ik een kant kennen van H. die nieuw voor me was. Huisgenote L. zou binnenkort een feestje geven en één jongen zou wat H. betreft ook uitgenodigt moeten worden, zij vindt hem, geloof ik, wel heel erg leuk. L. belt hem onder beminnelijk verzet van H. op. H. neemt gauw de hoorn over. Hij kan niet en hoe wrang, dan krijg ik de uitnodiging toegeworpen. Om elf uur vertrek ik.

Die uitnodiging zit tussen de brieven. Ik ben natuurlijk niet gegaan. Het was het eerste incident waaruit ik kon opmaken dat H. een zeer tactloze kant had. Tegelijkertijd werd ik geconfronteerd met het gegeven dat H. ondanks mijn gevoelens natuurlijk haar eigen leven leidde en op zoek was naar een vaste relatie. Daar kwam ik niet voor in aanmerking.

Dit bezoek woekerde weer weken in mij voort, maar opnieuw dwong ik mijzelf afstand te bewaren en niet al te snel te schrijven. Er zijn zoveel ongeschreven en onverstuurde brieven, mijn onderbewustzijn zal wel een heel archief hebben gemaakt (dagboek, 25 april 1988). Ondanks alles besloot ik toch weer een week van de zomervakantie door te brengen op de plek te gaan waar het allemaal begonnen was, ik schreef me weer in voor een reis naar Taizé.

Op 29 april ging ik voor het eerst met P. mee naar een repetitie van de Stichting Utrechts Bachcantatediensten. Het was een succes, na het weekend noteerde ik: Een harmonieuze dag na een fijn weekend. Alles is even mooi. Het deelnemen aan het instuderen en uitvoeren van Kantate 12 van J.S. Bach was een belevenis die mij veel voldoening heeft gegeven. Zingen werkt bevrijdend (...). Vooral het korte recitatief Wir müssen durch viel Trübsal in das Reich Gottes eingehen werd een veel geciteerd fragment door mij.

Begin mei werd mijn moeder voor de eerste maal opgenomen in het ziekenhuis met hartklachten. Ik reisde in deze tijd vaker op en neer naar Friesland. Alhoewel ze niet in levensgevaar was, gaf het toch weer extra zorg. Ondertussen schreef ik me opnieuw in voor een tentamen voor een niet-musicologisch vak, het laatste tentamen dat ik nog voor het einde van het collegejaar moest halen om mijn propedeutisch examen te halen. De tijd begon te dringen. Haalde ik het vak niet, dan mocht ik formeel niet verder.

Exact een maand na mijn bezoek aan haar, schreef ik H. weer. Het is een korte brief geworden en ditmaal in één avond geschreven. Eigenlijk kan ik haar maar één ding schrijven: dat ik van haar hou. Verder wat vertelt over mijn componeren en mijn ergernis over de oppervlakkigheid van mensen.. (dagboek 12 mei 1988)

Drie dagen later schreef ik nog een brief, aan E.. Het ging absoluut niet goed met hem, de toon in zijn brieven werd steeds wanhopiger. Vanmiddag een brief aan E. afgeleverd, een van de beste brieven die ik ooit geschreven zal hebben. En dat was ook wel nodig, want E. zat diep in de put, getuige een brief die ik gisteren van hem heb mogen ontvangen. (dagboek 15 mei 1988) Een week later bezocht ik hem en we brengen een zonnige middag door in de Prinsentuin. E. was afstandelijk en ik begreep het niet. Misschien pas ik wel nergens bij. Misschien overvalt mijn openheid en vertrouwen de mensen die ik als mijn zeer goede vrienden beschouw. (dagboek 25 mei 1988) Mijn twijfel aan E. was onterecht, zo zou heel gauw blijken.

4.4.2007

Daar zat hij dan, aan de andere kant van het spoor, een oude man nu. Bijna onbeweeglijk, handen in zijn schoot, vermoeid rondkijkend vanonder zijn pet. Geen bagage. Hij wachtte. Maar waarop, vroeg ik mij af. De trein stond iets terug op het spoor al klaar voor vertrek. Zou hij wel herkennen datgene waarop hij wacht? Ik kreeg de indruk dat hij daar altijd wel zou blijven, dat ik hem morgen op dezelfde plek weer zou ontmoeten. Toen ik mijn trein het station zag binnenrijden, kruisten onze blikken.

Vanaf mijn zitplaats kon ik hem nog steeds zien. Meneer Beckett wacht op Godot, schoot mij zomaar binnen. Toen de trein zich in beweging zette, reisde hij met mij mee.

29.3.2007

Bosch en Duin 1986-1989 II (8)

De vergeten, donkere jaren noemde ik ze, mijn jaren in Bosch en Duin. Waarom vergat ik ze zo gemakkelijk? Was het de confrontatie met de onmacht mijn leven naar mijn hand te zetten? Was het de gêne voor mijn gedweep met new age? Of was het de eenzaamheid, die ik altijd willens en wetens alleenzaamheid noemde? Dat ik eenzaam was, zie ik pas achteraf, toen ervaarde ik het niet zo. Beter: ik wilde het niet zo ervaren. Het was een desillusie. Toen ik er ging wonen, beleefde ik nog de romantiek van de kluizenaar, van het idee te leven als monnik die muziekwetenschappen studeerde. Na elk bezoek aan de grote boze buitenwereld kon ik me terugtrekken om me te wijden aan mijn studie.

Nee, ik vond er geen rust, geen contemplatie, geen hogere inzichten. Esoterische waarheden bestonden alleen maar in boeken. Ik werd heen en weer geslingerd door het verlangen naar gezelschap en in gezelschap het verlangen naar mijn alleenzaamheid. De desillusie sloeg barsten in mijn wereldbeeld, mijn geloof in een buitenzintuigelijke ware wereld stond op het spel. Ik wist te mediteren, mijn gedachten te laten gaan, wierookstokjes brandend, munten gooiend met de I Tsjing in de hand, astrologische analyses lezend enzovoort enzovoort, maar het veranderde niets. Alles wat ik daarmee ervaarde was geconstrueerde ervaring: ik ervaarde slechts wat ik wilde ervaren. Het was mijn eigen fantasie, mijn eigen wil dat het waar zou zijn, maar als ik echt eerlijk was tegen mezelf dan kon ik slechts tot één conclusie komen: wat een baarlijke nonsens allemaal. Niet dat ik dat ineens erkende, maar de twijfel was naar binnen geslopen en begonnen zijn ondermijnende werk te verrichten.

Ik zocht mijn Thuis, maar vond steeds mijn Kuil.

Soms stond ik vroeg op. Wanneer ik dan de stoffige zware groene gordijnen opzij schoof, was er geen applaus, maar het bos. Dan scheen de zon nog net door de bomen mijn kamer in (ik heb altijd vensters op het noorden gehad). De koelte en dauw van de ochtend liet ik binnenkomen door het raam iets open te schuiven. Zomers het getsjilp van de vogels in het nest achter het luik en heel soms klauterende eekhoorntjes in de dichtstbijzijnde boom.

Mijn kamer was ordelijk, alles had een vaste plek. Wel veranderde ik voortdurend de inrichting, zoals ik geregeld de lay-out van mijn weblog verander. Geen bloemen, planten of huisdieren, die namen maar onnodig plek in. Maar er was altijd het bed, de rokersstoel, het koelkastje met daarbovenop een elektrisch kookstel, het grote massieve bureau, de piano, de boekenkasten en het kastje met de stereo en de lp's (en later cd's). Het was ruim, het straalde rust uit, het stof kon er neerdalen.

Veel ben ik vergeten, maar wanneer ik mijn ogen sluit kan ik de kamer met die overweldigende stilte weer bovenhalen. Kijk, daar ik zit in mijn stoel te lezen in Doktor Faustus van Thomas Mann. Of kijk, daar zit ik achter het bureau de compositie voor H. in het net over te schrijven. Luister, ik heb de lampen uitgedaan en in de schemer laat ik de pianosonates van Beethoven klinken.

Op 8 maart 1988 stak ik daar mijn eerste sigaret op. In mijn ouderlijk huis werd altijd gerookt door mijn vader, broer en zus. P. rookte ook. Waarom ben ik eraan begonnen? Mijn vader probeerde weer te stoppen met alle gevolgen van dien voor zijn humeur en gedrag. Ik wilde wel eens weten hoe moeilijk dat stoppen nou eigenlijk zou zijn. Daar ben ik achter gekomen, de sigaret werd algauw een subliem troostmiddel. En, het paste bij mij. Het ritueel van het roken: pakje shag, vloeitje, peuk draaien, aansteken, ik had het heel snel onder de knie. Het was heerlijk om tijdens het studeren, het lezen of het schrijven even mijn concentratie te verplaatsen om met het ritueel van het roken te contempleren op wat ik aan het doen was.

Ik verzorgde me slecht in die tijd. Meestal at ik maar twee maaltijden per dag, toen was ik nog mager. Douchen en scheren sloeg ik het liefste over. Om kleding gaf ik niet, laat staan om zoiets belachelijks als mode. Ik zal er niet bepaald aantrekkelijk uitgezien hebben in die tijd en het roken zal het niet verbeterd hebben. De vriendinnen van H. bestempelden mij als het kunstenaarstype, maar in werkelijkheid was ik een onopvallende grijze muis. Niet bepaald iemand die interessant is om nou eens een praatje mee te maken of om mee gezien te worden. P. zei een keer, dat het moeilijk was in die tijd om tot mij door te dringen (je bent als een ballon die telkens weer wegglipt als je hem probeert te grijpen), ik was moeilijk benaderbaar. Ik beperkte me tot een groep vrienden en bekenden en ik ergerde me aan de domheid van de rest van de wereld. Waarom wilden mensen niet zien? Waarom wilden mensen niet luisteren?

Oppervlakkig beschouwd werd ik een misantroop die met rust gelaten wilde worden. Wie beter keek wist, dat het onmacht was om te functioneren in een wereld die ik niet begreep. Kijk, daar sta ik voor het raam en ik kijk naar buiten of de postbode al komt met een brief voor mij.

26.3.2007

Bosch en Duin 1986-1989 II (7)

Toen zij het podium opliep realiseerde ik het me plotseling. Natuurlijk, voor wie verliefd is lijkt alles op de wereld te wijzen naar die ene persoon. Maar dit was bijna shockerend: haar postuur, haar bewegingen, haar donkere lange haar, haar stralende veelbewogen blik die de zaal inkeek ... alsof het een oudere zus van H. was.

Al jaren was ik fan van Martha Argerich en toen zich een gelegenheid aandiende om haar eens te zien spelen, greep ik die gelegenheid met beide handen aan. Samen met de violist Gidon Kremer gaf ze een koncert in het Circustheater in Scheveningen en aangezien D. daar om de hoek woonde, was het snel geregeld. In januari 1988 zag ik haar dan voor het eerst in levende lijve, de vrouw waar ik puberaal verliefd op was geweest. Hadden de muziekbladen vol gestaan met foto's en posters van haar als was ze een popzangeres, mijn kamer in het ouderlijk huis had dan volgehangen met haar afbeeldingen. Was het mogelijk dat, toen ik H. voor het eerst zag in Taizé, er onbewust een associatie naar de verschijning van Argerich was gemaakt? Toen P. eens tegen mij zei: laat H. geen Martha voor jou worden, dacht ik stomverbaasd dat hij de band ook had gezien, maar hij bedoelde toen de Martha uit Een vlucht regenwulpen van Maarten 't Hart.

Half januari 1988 vond ik een briefje in mijn postvakje van een docent. Dat ik niet meer bij zijn lessen Contrapunt hoefde te verschijnen, ik was niet meer welkom. Ik was perplex. Ik had een stevige conflict gehad met meneer Rasch, omdat hij me en plein public had geschoffeerd. Dat deed hij ook met andere studenten, maar ik had het niet gepikt. Met beheerste woede had ik hem verzocht om mij en de andere studenten normaal en met respect te behandelen. Waar ik het lef vandaan haalde om me met zijn wijze van lesgeven te bemoeien. Nu had hij de gelegenheid aangegrepen om me uit zijn groep te schoppen toen ik één dag te laat de eindopdracht had ingeleverd. Toen ik enkele weken later tegen een medestudent had gezegd marsch, marsch, daar komt meneer Rasch terwijl hij op gehoorsafstand was, kon ik een diplomatieke oplossing natuurlijk wel vergeten.

Het incident was tekenend voor mijn onvrede met mijn studie. In de eenzaamheid van mijn studentenkamer viel me het steeds zwaarder mezelf aan te zetten tot gedisciplineerd studeren. Als ik dan toch braaf de hoofstukken uit de boeken en readers gelezen had, dan was ik tijdens het college teleurgesteld wanneer alleen maar herhaald werd en niet verdiept. Op de tentamens werd kennis getoetst, geen inzicht of begrip. Zo werd studeren stampwerk en ik verzette me daar tegen. De hoogste cijfers haalde ik voor examens waar nu eens wel naar inzicht gevraagd werd door middel van open vragen.

Ik stoorde me ook aan mijn medestudenten die het zich allemaal maar lieten aanleunen. Ze deden braaf wat hen gevraagd werd en ik moest niet zo zeuren. Ik kon niet omgaan met deze rol van student als volgzame arbeider in een leerfabriek. Belangstelling en begeleiding kwam er niet vanuit de docenten, terwijl de faculteit klein was, iedereen kende elkaar. Ik voelde me aan mijn lot overgelaten en in plaats van hulp te zoeken bij een studiebegeleider ging ik trots mijn eigen hopeloze weg. Mijn studietijd ging steeds meer op aan het lezen van boeken, het beluisteren van muzieken, het bezoeken van koncerten en films, het onderhouden van sociale contacten. Ik heb meer geleerd van alles wat ik in die tijd buiten mijn studie deed. Ik was op de vlucht voor mijn studie en voor mijn gevoelens voor H..

Fragment. 10 februari 1988. Ik was, zoals ik in die tijd wel vaker deed, in m'n eentje gaan eten in de mensa van studentenvereniging Veritas. Ik zocht een rustig plekje aan een lege tafel. Ik zat nog niet of er kwam een meisje tegenover me zitten. Ze zocht contact met mensen en aangezien ik daar alleen zat hoopte ze, dat ik het niet vervelend vond als ze mij gezelschap kwam houden. In mijn dagboek doe ik er heel laconiek over. We spraken wat over onze studies en voornamelijk over muziek. Toen we klaar waren met eten gingen we uiteen, ze had het heel gezellig gevonden. Maar in mijn herinnering was het veel heftiger. Het is één van de vele gevallen waarvan ik in mijn dagboek uit de tijd niet het beeld terugvind, dat ik wel in mijn herinnering van die gebeurtenis heb. De reden daarvoor wist ik toen al, maar ik wilde het niet onder ogen zien. Zij confronteerde me ongewild met mijn eenzaamheid, juist door mijn gezelschap te zoeken. Ik wilde haar eenzaamheid niet, omdat ik mijn eigen eenzaamheid niet wilde.

Op 2 maart schreef ik me in op een wachtlijst voor een kamer in Zeist. Wachttijd ongeveer 12 maanden. Ik moet begrepen hebben dat mijn eenzaamheid in Bosch en Duin me uiteindelijk niet goed deed en dat ik meer onder de mensen zou moeten zijn. P. had daar een appartement, hij was daar gebleven toen zijn vriendin bij hem weggegaan was. Ik schreef me in voor een wooneenheid: met negen andere studenten aan een gang wonen en voorzieningen delen. Ik moest weg uit Bosch en Duin.

21.3.2007

Bosch en Duin 1986-1989 II (6)

Het wordt tijd om te vertellen over E.. E. is al eens langs gekomen in een eerder bericht. Van hem bewaar ik een uitgebreide correspondentie, hij was geen vriend in de directe omgeving. Ik probeerde hem vaak op te zoeken in Leeuwarden wanneer ik in Friesland was.

E. was een jongen van emotionele uitersten. In mijn nabijheid was hij altijd vrolijk, vol energie en spontaan. In zijn brieven kon hij ook somber, grimmig en soms vreselijk wanhopig zijn. Ik deelde zijn anarchisme, zijn lak aan conventies, zijn non-conformisme. Daarbij moest ik als we samen waren, vaak op de rem trappen, omdat we anders ongewild in de problemen kwamen. E. had iets kinderlijks dat mij aantrok, maar dat mij ook volkomen kon afstoten. We deelden in die tijd onze opvattingen over esthetiek, soms onuitgesproken, al was hij een man van het oog en ik een man van het oor. Zijn grote hobby was fotografie en ik bewaar nog enkele eigenaardige foto's van hem uit de tijd dat we in Luxemburg waren.

Het is zeer goed mogelijk dat E. het was die mij overtuigde om H. in september 1987 een brief te schrijven. In een brief van 30 augustus 1987 stelt hij onomwonden dat ik de keuze heb: niks zeggen en wel iets zeggen, waarbij hij duidelijk aangeeft dat de laatste keuze hem het verstandigste lijkt.

Begin 1988 wordt onze correspondentie frequenter. Het aardige is dat hij zodanig op mijn schrijven ingaat, dat ik daaruit enigszins kan opmaken wat ik zelf geschreven moet hebben. Zo citeert hij mij op oudejaarsavond: "ik krijg geen zinnig woord op papier" om er aan toe te voegen: daar heb je groot gelijk in en ik weet niet waarom mij dat zo mateloos boeit. In eerdergenoemde brief van 30 augustus typeert hij: goed, toegegeven, jij komt graag na vaak zeer lange inleidingen tot de kern en hoe belangrijker die kern hoe langer de inleiding. juist dat raadselachtige voorspelbare trekt mij aan. Dit is mij vaker gezegd en geschreven.

Ondertussen zitten we in een spiegelbeeldige situatie. Waar mijn liefde onbeantwoord blijft, daar zit hij met het probleem dat hij intens houdt van zijn vriendin, maar niet met haar kan samenleven: hij wil juist een einde maken aan de relatie. E. wijst me op mijn verantwoordelijkheden. Ik had mijn brief aan hem schijnbaar met een Wagner-citaat afgesloten, wer bietet mich das schwert mit dem ich die bande zerschnitt (E. gebruikte bijna geen hoofdletters), om fijntjes te vervolgen dat ik het zelf in de hand heb. Ga naar haar toe, praat erover, neem het risico. Hij heeft groot gelijk, maar ik doe het niet.

Op 13 februari 1987 bezoek ik hem op het Zwitserswaltje in Leeuwarden. Ondertussen heeft zijn vriendin de knoop doorgehakt en is E. tegen wil en dank weer vrij man. We eten in eetcafé Het Leven en daar rook ik mijn eerste sigaartje. Eraan vast zat café Silberman, waar we veel hebben gedronken en gepraat. Ik weet niet hoe het er tegenwoordig uitziet, maar toen was het een links café. Je kreeg er de indruk te verkeren tussen allerlei linkse, werkeloze dertigers die natuurlijk veel rookten en zopen, het ingekankerd cynisme hing daar in de lucht. Dat beviel me uitstekend.

20.3.2007

Moet je nu eens kijken, dat was ik helemaal vergeten! roep ik door de kamer. Ik ga achter de piano zitten en probeer mijn eigen handschrift te ontcijferen. Het fragment is langer dan een kantje, maar na twee regels haak ik af: ik kan mijn eigen compositie niet meer spelen. Ik geloof zelfs, dat ik het toen al niet goed kon spelen, het was te ingewikkeld. Ben je weer zo met je jeugd bezig? Je moet zeker veertig worden dit jaar, merkt mijn vrouw lachend op uit de voorkamer.

Naar aanleiding van mijn bericht van gisteren, heb ik op zolder onder het stof vandaan de zwarte map tevoorschijn gehaald. Een hele stapel papier komt tevoorschijn. Bovenaan het manuscript van Taizé 1985-1989. Op de titelpagina staat onderaan ...voor een vriendin.... Daar heeft wel eens wat anders gestaan. Wanneer ik de bladzijde omsla een citaat uit de Zarathustra van Nietzsche (Nacht ist es ...) en op de bladzijde erna de Prelude. Schijnbaar heb ik voor de versie van gisteren nog allemaal verbeteringen doorgevoerd, want er zijn noten omcirkeld en doorgestreept. Ik blader snel door en verwonder me over veel dat ik ben vergeten. Ik speel het begin van het laatste deel van Taizé door en zeg tegen mezelf mmm, helemaal niet slecht eigenlijk. Het is kaal geschreven, slechts open samenklanken die de stilte en het voortgaan van de tijd moeten accentueren. Het is pure eenvoud en het doet me nog steeds wat wanneer ik het doorspeel.

Dan komen er aantekeningen voor stukken die later geschreven zijn en fragmenten waar nooit iets mee gedaan is. Ook titels van onafgemaakte stukken: Anna & Alex (de hoofdpersonen uit de film Mauvais Sang), À la gare de l'H., Stilzwijgend zelfportret en als laatste het stuk waar ik zo verrast door was, Compositie nr. 1, op. 4.

Ondertussen is mijn oudste zoon bij me komen staan.

Heb jij dat allemaal geschreven?

Ja, lang geleden, nog voor jouw tijd.

Maar, hoe doe je dat dan?

Nou gewoon, net zoals je tekst op papier schrijft, schrijf je bolletjes en streepjes. Dat kun jij ook.

Moet je dan eerst al die lijntjes trekken?

Nee, muziekpapier kun je gewoon in de winkel kopen.

De laatste datum tussen al het gewriemel is ergens in mei 1992. Dan houdt het op. Ik herinner me een uitspraak van een vriend, die het fragment van Compositie nr 1 het beste vond, dat ik ooit geschreven had. Het is twaalftoonsmuziek, naar de ideeën van Arnold Schönberg. Er zit een heel schema bij met alle omkeringen en spiegelingen van het hoofdthema, met akkoorden. Dan volgt er een schema, waarbij elke 'zin' met een andere noot begint. Twaalf regels en aan elk begin van een regel staat een teken uit de astrologie vermeld. Geen idee meer over het waarom. Een laatste poging in de harmonie der sferen, wellicht.

Ik zucht eens diep, stapel de papieren weer netjes en doe ze in de zwarte map. Jongste zoon moet nodig naar bed. De zwarte map wordt op zijn plek gelegd op zolder. Ik realiseer me dat er het nodige ontbreekt, ik mis een aantal stukken. Binnenkort eens zoeken waar de rest gebleven is. Of zou ik het weggegooid hebben.

16.3.2007

Bosch en Duin 1986-1989 II (5)

Bij de speeltafel van het kerkorgel waarop ik in mijn middelbare schooltijd mocht oefenen, lag altijd een gewichtje. Het paste precies op een toets van het manuaal. Soms legde ik het gewicht op een lage toon en improviseerde dan in de hogere registers. Zo klonk die lage toon dan als een soort orgelpunt. Ik heb mijn leraar eens gevraagd waar dat gewichtje toch voor diende. Hij legde mij uit dat het gebruikt werd door de stemmer: met dat gewichtje kon de stemmer een toon laten klinken terwijl hij in de kast bezig was.

Dinsdagavond, 22 december 1987 (begin van de winter, de donkerste dag is geweest) kom ik 's avond terug bij mijn ouders. Er ligt een brief op mij te wachten, ik herken het handschrift ogenblikkelijk, al is het enigszins anders dan ik gewend ben. Een ijzige verrassing noem ik het in mijn dagboek.

De envelop met brief ligt hier voor mij. Het handschrift is schoonschrift. De poststempel is niet over de postzegel heen gegaan en is gedateerd 18.XII.87 en uitgebreid met 'Prettige feestdagen' en twee kerstklokjes. De brief zelf bestaat uit ruim 3 kantjes van een schrijfblok. Haarlem, 30-11-87 staat er boven. Uit alles blijkt dat er veel zorg aan de brief besteed is. Er was de schrijfster veel aan gelegen om de juiste woorden te vinden. Het is een prachtige brief, dat zie ik nu bijna twintig jaar later wél. De hemel zei dank, dat er toen nog geen e-mail was!

Je verdient een weloverwogen, eerlijk antwoord, schrijft ze en dat is gelukt. Nadat ze mijn brief had ontvangen was haar relatie op de klippen gelopen. Eén en ander was op een tamelijk lullige manier gegaan en voor haar hoefde toen het 'liefdesleven' eventjes niet meer. Dan probeert ze een antwoord te geven op mijn brief. Ze ontkent niet dat ze in zekere zin, door duistere banden tot me aangetrokken voelde en in Taizé kwam ik angstig dichtbij. Maar ze durfde het niet aan, ze was niet zeker van haar gevoelens. Ik zou dan een soort surrogaat geweest zijn, een tijdelijke leverancier van dingen waar ik behoefte aan had: warmte, speciale aandacht, het idee dat je voor iemand belangrijk bent. Ze zag in dat een relatie tussen ons niet een eerlijke relatie geworden zou zijn. Hoewel ik niet onmisbaar voor haar ben, ben ik ook niet onbelangrijk of betekenisloos voor haar. Als ik me ervoor openstel, breng jij, met je gefilosofeer, me soms op heel goede ideeën. Soms gaan er onverwachte deuren voor me open. (...) Ik ken niemand die zo 'bezeten' is van muziek, en er tegelijk met zoveel humor tegenaan kijkt. (...) Jij voorkomt misschien dat ik al te nuchter en praktisch word, dat ik af en toe eens stilsta bij het ogenschijnlijk vanzelfsprekende. Mijn brieven aan jou hebben over het algemeen geen vooropgezet doel, behalve deze dan en de allereerste, die als tegenwicht diende / moest dienen voor iets teveel zwaarmoedigheid (...) en ik hoop ook dat je blijft schrijven.

Iets teveel zwaarmoedigheid? Hopen dat ik blijf schrijven? Nadat ik de brief tweemaal had gelezen, de boodschap tot me door had laten dringen, heb ik die brief nooit meer willen lezen. Alhoewel de afwijzing geen echte verrassing was, kwam deze, ondanks de mooie woorden, hard aan. In mijn dagboek kan ik er niet over schrijven.

Onder het mom dat ik nog veel aan mijn studie moest doen, was ik vlak voor de jaarwisseling weer naar Bosch en Duin gegaan. Een week nadat ik de brief gekregen had, schrijf ik weer in mijn dagboek: Weer thuis en weer eenzaam. (...) ik kan weer aan H. schrijven. (29 december 1987) Vannacht tijdens de jaarwisseling ben ik met een brief aan haar begonnen, met een fles wodka op tafel en "Senza Parole" aan. De brief was te emotioneel, te eenzaam, zodat ik hem vanochtend maar weggegooid heb. Om de sfeer hier kracht bij te zetten heb ik zeurende verkoudheid (...) (1 januari 1988) Ik vlucht in de brieven van Jeroen Brouwers, deel twee van Kroniek van een karakter had ik ondertussen ook al aangeschaft. Een paar dagen later lees ik een wel zeer eenzaam boek van Brouwers, De Exelse testamenten. Symbolisch genoeg eindigt daar de eerste band van mijn dagboek.

Er had zich iets vastgezet in mijn hoofd, alsof er een zwaar gewicht op mijn gedachten was gelegd. Een donkere toon van zwaarmoedigheid zou vanaf die kerst en jaarwisseling als een orgelpunt door mijn leven blijven klinken. Ik kon genieten van het leven, vrolijk zijn, lol hebben, soms de hypochondrie overstemmend, maar altijd bleef die donkere toon klinken. Ik raakte ook gehecht aan die aanwezigheid, het werd vertrouwd en langzamerhand begon ik het zelfs op te zoeken en te koesteren. De schoonheid van de melancholie, nietwaar? Het zou nog jaren duren voordat iemand dat gewicht heeft kunnen verwijderen, zodat die toon een fantoom werd. En zelfs nu nog, in tijden dat het tegenzit, meen ik die toon nog te kunnen horen. Gelukkig heb ik geleerd er op te improviseren.

Toen zwegen zij en staarden naar elkaar alsof beiden voelden dat er iets waars en ernstigs gezegd was. Maar hij verwierp het en zei nooit ongelukkig te zullen zijn als hij haar nu en dan eens zien mocht. Al het mooie zou blijven en het zou alles alleen mooi zijn, beloofde hij. Dus spraken zij af voor den ochtend van overmorgen.

Frederik van Eeden Van de koele meren des doods, 88

12.3.2007

Bosch en Duin 1986-1989 II (4)

De eerste tijd nadat ik de brief aan H. gepost had, voelde ik elke keer wanneer de telefoon ging of als ik de oprijlaan afliep naar de brievenbus aan de weg een verwachtingsvolle spanning. Maar er kwam geen antwoord. Ook rond mijn verjaardag in oktober bleef het stil. Langzaam maar zeker begon ik me te realiseren dat mijn brief wel eens het einde van een vriendschap kon betekenen. Was ik nu te ver gegaan of had ik haar alleen maar in verlegenheid gebracht? Of had ik het helemaal verkeerd aangepakt? Had er iets in de brief gestaan wat ik beter niet had kunnen schrijven?

Wat had ik geschreven? Ik heb geen kopie van de brief en ik kan het me eenvoudigweg niet meer herinneren. Ik zal haar geschreven hebben, dat ik verliefd op haar was geraakt, maar omdat ik wist dat ze op dat moment een relatie had, zal ik geprobeerd hebben haar gevoelens te sparen en daarmee mjin eigen gevoelens onrecht gedaan hebben.

Mijn dagboek geeft evenmin uitkomst over de inhoud van de brief. Alleen een losse opmerking op 8 september 1987: Vanochtend las ik in Anna Karenina een passage (deel 8, hst 12) die dicht bij mijn ideeën staat. Mijn brief aan H. zou je er zo naast kunnen leggen. Sinds ik deze passage teruglas, heb ik dat hoofdstuk meerdere malen gelezen. Ik begrijp de relatie met de brief niet. Wel vermoed ik, dat als het om mijn toenmalige ideeën ging, het voornamelijk om het volgende fragment moet zijn gegaan:

En ik en millioenen mensen, die eeuwen geleden leefden en die nu leven, boeren, armen van geest en wijzen, mensen die hierover gedacht en geschreven hebben, die in hun onduidelijke taal hetzelfde hebben gezegd – wij allen zijn het over dit ene eens: waarvoor wij leven moeten en wat goed is. Ik en alle mensen hebben slechts één ding, dat wij zeker, ontwijfelbaar, absoluut weten en dit weten kan niet door het verstand worden verklaard: het staat daarbuiten, het heeft geen oorzaak en kan geen gevolg hebben.

Als het goede een oorzaak heeft, is het niet goed meer. Als het een gevolg heeft, een beloning, is het ook niet goed meer. Dus, het goede staat buiten de keten van oorzaak en gevolg.

En dit goede ken ik, wij kennen het allen.

L.N. Tolstoj Anna Karenina, 914-915

In die tijd was ik er heilig van overtuigd dat alle levende wezens (maar uiteindelijk ook voorwerpen) een goddelijke kern hebben. Door God geschapen moesten we wel iets van hem meegekregen hebben. Het was die goddelijke kern die al het leven met elkaar verbond en het was de kunst om die kern in de mensen te blijven zien, ondanks alle maskers die mensen opzetten. Als je die goddelijke kern in iemand herkent, voel je liefde. Ik vond, dat alle godsdiensten, alle filosofieën, alle kunst, daarom draaide. Of je het nu God, Allah, Boeddha, Tao of Ding an sich noemde, het kwam op hetzelfde neer. Iedereen was met elkaar verbonden en in hoger zin dus broer en zus van elkaar, of vader en moeder. Al het leven bevatte een hogere eenheid achter de verscheidendheid. Als ik een ander iets aandeeed, deed ik eigenlijk ook mijzelf iets aan, hetgeen meteen een basis gaf aan mijn pacifisme. Of Tolstoj dat nu zo bedoelde, dat weet ik niet, maar ik zal het ongetwijfeld zo geïnterpreteerd hebben, zoals ik toen alles naar deze redenering toe interpreteerde. Zo vond ik overal bevestiging. Wellicht heb ik mijn liefdesverklaring aan H. ingebed in deze levensvisie.

Het verlangen naar iemand die voor mij niet bereikbaar was, begon zijn sporen na te laten in mijn gemoed. Het zou te gemakkelijk zijn om te zeggen dat ik in twee werelden leefde. De wereld van de dagelijkse verplichtingen en het sociale leven met mijn vrienden en daartegenover de binnenwereld van mijn studiekamer, mijn Bosch en Duin, de wereld van studeren, lezen, mijmeren, alleen zijn. In werkelijkheid liepen die werelden doorelkaar. In het dagelijkse leven begon een achtergrondruis van zwaarmoedigheid te klinken die steeds sterker en bepalender werd. Aanvankelijk was er alleen de onrust: was ik in de wereld dan wilde ik vluchten naar mijn studiekamer, was ik enige tijd alleen op mijn kamer dan verlangde ik weer mijn vrienden en activiteiten in de wereld. Het verlangen naar H., werd steeds meer een louter verlangen. Ik vergat haar niet, maar ze werd meer een gevoel van afwezigheid, het werd minder op de persoon gericht. Op 15 november 1987 noteer ik (met de nodige spelfouten): Ik bemerkte inees, dat ik die dag niet eens met mijn gedachten bij H. was gewees. Ergo, ik bemerk dat ik afstand van haar begin te nemen. Het is tekenend dat ik het nodig vond om dit te signaleren.

Ik was gehecht geraakt aan mijn kamer in Bosch en Duin. Het voelde veilig en vertrouwd. De stilte was me lief en in die stilte kon ik lezen (ik las veel Jeroen Brouwers in dat najaar), brieven schrijven, studeren, componeren en improviseren op piano – de fijnbesnaarde vriend die altijd naar mij luistert. Door mijn goede vriend P. begon ik te beseffen, dat het niet goed voor me was om daar te blijven. Half november besluit ik me in te schrijven bij de SSH, toen nog Stichting Sociale Huisvesting. Ze waren echter gesloten en het zou een hele tijd duren, voordat ik opnieuw een poging zou wagen.

Was ik lid geworden van het EUG, vriend P. zocht zijn sociale contacten bij het Utrechts Koor en Orkest, het USKO. Hij nodigde me uit om naar zijn eerste koncert bij het USKO te komen. Op 17 december 1987 zit ik in de Janskerk te luisteren naar de Nicolascantate van Benjamin Britten, een componist waarvoor ik steeds meer bewondering kreeg. Het USKO zou nog een belangrijke rol in mijn leven gaan spelen.

Een dag na het koncert vertrek ik naar mijn ouders in Friesland om daar Kerst te vieren. Aan de verjaardag van H. half december heb ik geen aandacht besteed. Naast mijn studiemateriaal heb ik het eerste deel van Kroniek van een karakter van Jeroen Brouwers in mijn tas. Met mijn zus en zwager ga ik naar een klaverjastoernooitje. Vriend R. komt langs en er is een reünie van de groep waarmee ik die zomer naar Taizé ben geweest. Tijdens de reünie ontmoet ik weer A. Ze maakt indruk op me en ik neem me voor haar eens te schrijven. Ze lijkt in niets op H. en ik voel ook geen bevlogen verliefdheid, maar ze intrigeert mij. Het zal op niets uitlopen, want voordat ik die brief ga schrijven wacht me nog eerst een grote verrassing.

9.3.2007

Bosch en Duin 1986-1989 II (3)

De dag na de Tristan begon voor mij het nieuwe collegejaar. Dat betekende weer enige regelmaat in de week, op tijd opstaan, werk aan de winkel en meer contact met mijn studievrienden.

Wat dat laatste betreft, er begon zich een groepje te vormen waar ik min of meer deel van uitmaakte. Enerzijds stimuleerde ik de groepsvorming zelf, anderzijds had ik er een hekel aan. Zo organiseerde ik nog een bezoek aan het Muziektheater om opnieuw de Tristan de bekijken, ditmaal met vrienden. Ik regelde de kaartjes en nam het risico deze vooruit te betalen. Het werd een gezellige avond. Hetzelfde groepje ondernam de reis naar Bosch en Duin om in oktober mijn verjaardag te vieren. Het waren de vrienden op de korte afstand, de vrienden die ik zeer vaak tegenkwam. Ze waren belangrijk voor mij, maar er bleef reserve tussen mij en de groep. Illustratief is het volgende voorval dat ik in mijn dagboek (4 oktober 1987) als volgt aanstip: Er werd in devote stilzwijgen naar de Vijfde Symfonie van Van Beethoven geluisterd olv C Hoghwood. Dit was echt belachelijk. O, de uitvoering was echt heel boeiend, maar geforceerd op een studentenkamer naar zo'n symfonie gaan zitten luisteren vond ik allesbehalve gezellig. Ik kon het eenzijdige, bijna religieuze enthousiasme voor de klassieke muziek niet delen met mijn studievrienden. De wereld bestond voor hun alleen maar uit muziek. De gesprekken konden alleen maar over muziek gaan. Het was alsof de frustratie van het zwijgen op de middelbare school waar klassieke muziek natuurlijk niet populair was, nu met volle kracht eruit kwam. Nu zij onder gelijkgestemden verkeerden, moesten er verloren jaren ingehaald worden.

Voor mij was de wereld zoveel groter, ik wilde mijn wereld niet beperken tot alleen maar mijn studie. Literatuur, filosofie en religie waren voor mij minstens zo belangrijk. Popmuziek was allerminst taboe. Ik dacht er niet aan om mijn smaak te laten begrenzen door de klassieke muziek, de muziekwereld was zoveel breder en rijker. En natuurlijk wilde ik over mijn onmogelijke liefde praten.

Twee vrienden werden steeds belangrijker voor mij op verschillende manieren.

Met D. kon ik lachen en onze vriendschap bleef oppervlakkig. Soms hadden we het wel eens over serieuze onderwerpen, maar het ging dan niet om persoonlijke problemen. D. was ook egocentrisch, stond graag alleen in het middelpunt van de belangstelling, wat vaak ergernis bij mij opwekte. Hij was onbetrouwbaar, afspraken werden maar al te vaak niet nagekomen. Maar ik kon het hem niet echt kwalijk nemen, ik hield er rekening mee en grimlachte dan maar weer dat het 'typisch D.' was. D. was grootgebracht door zijn grootmoeder en zijn grootmoeder was actief in het Theosofisch Genootschap. Met D. kon ik dus over mijn belangstelling voor new age praten. Astrologie, numerologie, aziatische godsdiensten, voor D. was het allemaal gesneden koek. Aangezien hij slechts vier dagen ouder was, zagen we onszelf graag als de Twee Weegschalen. D. was voor mij vrolijke chaos, liefde voor romantische esthetiek (hij dweepte met Liszt), ongecompliceerd lachen, studiegenoten op stang jagen. D. was een warme middagzon waarin ik energie kon opdoen. Eindeloze gesprekken hebben we aan de telefoon gehad. D. straalde optimisme uit, het grote gebaar, de schone schijn. Hij bleef me herinneren aan de onbezorgde, kinderlijke vrolijkheid die ik nog ergens in me moest hebben. D. had ook vele plannen en ideeën, maar er kwam nooit iets van. Met D. ging ik vaak naar de film, we spraken over boeken (Thomas Mann) en levensbeschouwingen. Hij was een vriend, juist omdat het onpersoonlijk bleef, juist omdat hij ergerniswekkend was. Zonder zijn aanwezigheid was mijn studie veel donkerder en zwaarder geweest!

P. werd in korte tijd mijn boezemvriend, maar was volstrekt tegengesteld aan D. P. stond buiten het groepje, was twee jaar ouder. P. was als het ware de W.F. Hermans onder mijn vrienden. Ik had hem die zomer opnieuw ontmoet nadat zijn vriendin bij hem was weggegaan. Atheïst en pessimist, cynisme en ironie. Wij konden over onze persoonlijke problemen praten, de teleurstellingen in het leven. Het leven is hard en vol tegenslagen ... was een terugkerende frase. P. was de warmte op de winteravond en onmisbaar voor mij. Hij was belangstellend, trouw en eerlijk. P. maakte mij enthousiast voor oude muziek en de historische uitvoeringspraktijk. Bach was God en Gustav Leonhardt zijn profeet. P. was liefhebber van de boeken van Maarten 't Hart en Maarten Biesheuvel en deelde die eigenaardige atheïstische liefde voor Bachcantates met Maarten 't Hart. Bachcantates zijn sinds die tijd een onmisbare muzikale troost in mijn leven. P. leerde mij op een nuchtere manier naar muziek luisteren. Hij haalde de romantische was uit mijn oren. We deelden onze liefde voor de literatuur van Jeroen Brouwers en overwogen hem eens een slagroomtaart te bezorgen. P. zorgde ervoor dat mijn studie niet in een vroeg stadium een mislukking werd. P. appeleerde aan die andere kant van mij: een calvinistisch besef van verantwoordelijkheid (en schuldgevoel). Het leven is niet alleen maar feest vieren en vrijblijvend mediteren, er moet ook gestudeerd en gewerkt worden. P. woonde in een appartementje in Zeist en we zagen elkaar bijna wekelijks op maandagavond.

Nee, ondanks de verwarrende zomer begon ik vol goede moed aan mijn tweede studiejaar. Weliswaar had ik mijn eerste jaar nog niet helemaal afgerond, het zou allemaal in orde komen. In mijn dagboek beschrijf ik mezelf zo nu en dan met zelfspot: Natuurlijk bruis ik van de motivatie en energie (8 september 1987), Een hele positieve dag. Vanochtend heb ik mezelf heel gedisciplneerd het bed uitgeramd. In stilte ontbeten en gelezen totdat ik de trein moest halen. Vuilniszak aan de weg gezet, blikjes en glas in de daartoe bestemde bakken, zodat ik aan mijn plicht als milieubewust burger heb voldaan, ben ik welgestemd om 11 uur het tuinhuis van het instituut binnengewandeld om weer 1½ uur solfège ingepeperd te krijgen (21 september 1987) enzovoort.

Ik voelde de noodzaak om meer onder de mensen te zijn, meer activiteiten te ontplooien en daarom ging ik naar een informatieavond van het Evangelische Universiteits Gemeente (het EUG; tegenwoordig heet het Oekumenische Studentengemeente Utrecht, wat de lading beter dekt). Ik hoopte daar iets van Taizé te vinden en er nieuwe contacten buiten mijn studie te leggen. Twee activiteiten trokken mijn aandacht: lessen in 'stil zitten' (meditatie) en een gespreksgroep antroposofie. Ik koos voor het laatste omdat ik behoefte had aan praten. Dat najaar bezocht ik geregeld bijeenkomsten waar een antroposoof vertelde hoe hij zijn overtuiging vorm gaf in zijn vakgebied. Met name de architect, een arts en een verhalenverteller zijn mij bijgebleven. Maar contacten maakte ik er niet. Ik voelde me er niet thuis en betrapte me steeds vaker op de gedachte 'wat een onzin allemaal'. Bovendien kon ik ook niet blijven hangen, omdat ik altijd weer op tijd het openbaar vervoer naar mijn studentenkamer moest halen.

Maar het ging niet goed. De alleenzaamheid van mijn studentenkamer begon steeds vaker eenzaamheid te worden. Ondanks al mijn goede voornemens en ondanks al mijn pogingen gedisciplineerd te studeren, deed ik steeds minder. Het was nog niet problematisch, maar de trend naar een mislukking begon zich langzaam maar zeker af te tekenen. Wanneer ik 's avonds in de prachtige stilte van mijn kamer mijn dagboek schreef, werd de stilte steeds vaker een neerslachtige stilte: de stilte van een onbeantwoorde brief.

5.3.2007

Bosch en Duin 1986-1989 II (2)

Op 6 september 1987 noteer ik in mijn dagboek: Naar de "Tristan" in Amsterdam geweest. Ondertussen de brief aan H. gepost.

Ik had in het voorjaar een abonnement genomen op de Nederlandse Opera. In het nieuwe gebouw De Stopera in Amsterdam stond voor het eerst een opera op het programma van Richard Wagner. Ik dweepte met die componist en zijn muziek en ik wilde per se naar één van de opvoeringen. Om geen risico te lopen bij de losse kaartverkoop buiten de boot te vallen, abonneerde ik me op de zondagmiddagmatinee die uit vier producties bestond. Een week voor de opvoering was ik nog naar het Rendez-vous met Wagner geweest, in de kleine zaal van het Concertgebouw. Martin van Amerongen gaf daar een introductie op de Tristan en dat wilde ik niet missen aangezien Van Amerongen ook de auteur was van het eerste boek dat ik ooit over Wagner had aangeschaft, De buikspreker van God.

Er valt verschrikkelijk veel over het muziekdrama Tristan und Isolde te vertellen. Muziektheoretisch interessant is de zwevende tonaliteit. Wagner stelt voortdurend de bevestiging van de toonsoort uit, waardoor de muziek een extreem zoekend karakter krijgt. Elke keer wanneer er een thuiskomst, een oplossing lijkt te komen, wordt het weer uitgesteld waardoor er onrust en nervositeit onstaat, maar ook een enorme gepassioneerdheid. Het is de muzikale uitdrukking van de onmogelijke en fatale liefde tussen Tristan en Isolde. De muziek is een ongekende voortstuwende klankzee waaraan geen ontkomen is. Een ieder die ontvankelijk is voor deze muziek – en dat was ik toen in extreme mate – wordt meegesleurd en in de kern van zijn gevoelswereld geraakt.

Richard Wagner schreef het in de jaren vijftig van de negentiende eeuw. Hij onderhield een geheime relatie met Mathilde Wesendonck, de vrouw van zijn mecenas. Toen de relatie ontdekt werd, vertrok Wagner naar Venetië en schreef Tristan und Isolde. De bewaarde briefwisseling tussen Mathilde Wesendonck en Richard Wagner is één van de mooiste die ik ken. Wagner zette ook gedichten van Mathilde op muziek, de Wesendonck Lieder, die muzikaal thematisch met de Tristan verbonden zijn. Ik vind het nog steeds een raadsel hoe Wagner in deze hartstochtelijke relatie, in opperste eenzaamheid in Venetië de Tristan heeft kunnen schrijven. Hoewel de emotie in dit werk muzikaal aan alle kanten lijkt te ontsporen, ontspoort de (harmonische) structuur van de compositie nergens: Wagner had de gehele compositie als een koele kikker in de hand. Dit kan geen werk zijn van een wanhopig kunstenaar in tranen achter zijn vleugel.

Het hoeft geen betoog, dat ik me indertijd helemaal kon onderdompelen in het verhaal en de muziek van dit muziekdrama.

In de dagen voor het bezoek aan deze opera moet er een even theatraal als pathetisch idee onstaan zijn bij mij. Als het leven dan geen literatuur was, dan moest ik het maar een handje helpen. Ik besloot een liefdesbrief te schrijven aan H. en het op de dag van de Tristan te posten. Schijnbaar zag ik het belachelijke van de symboliek van dit idee niet. Natuurlijk zou deze symboliek alleen aan mijzelf bekend zijn, maar daar dacht ik indertijd anders over. Toen was ik dermate religieus en spiritueel ingesteld, dat bewust of onbewust meegespeeld zal hebben dat ik ervan uitging, dat in een andere werkelijkheid deze symboliek niet onopgemerkt voorbij zou gaan. Het onbrak er nog maar aan, dat ik niet eerst de planeten of de I Tsjing had geraadpleegd om de juiste dag of tijdstip te bepalen voor het versturen van die brief.

Het werd nog absurder. Die zondag stond ik op met een lichte verhoging. Ik ging met de trein naar Amsterdam en daar met de metro naar het Waterlooplein. Vlak voordat ik het muziektheater binnenstapte, poste ik de brief in een brievenbus. Nu kon ik niet meer terug. Tijdens de voorstelling, in de warmte van de zaal, kreeg ik koorts. Tijdens de derde akte gloeide mijn hoofd aan alle kanten, mijn neus liep en mijn ogen traanden. O dieser Sonne / sengender Strahl, / wie brennt mir das Hirn / seine glühende Qual! (nee, Wagner was geen groot dichter). Ik heb me zelden zo eenzaam en beroerd gevoeld.

Toen ik het theater na afloop verliet, voelde ik me doodziek. Onderweg naar het metrostation passeerde ik twee dames op leeftijd bij een tramhalte. Ik ving een flard van het gesprek op, één van de twee zei met een diepe ironische zucht: Die sterfscène duurde wel lang hè? Deze relativering kwam precies op het goede moment, met een grote glimlach op mijn gezicht heb ik toen mijn weg vervolgd.

2.3.2007

Bosch en Duin 1986-1989 II (1)

Had de jwl van 19 toen maar de jwl van 39 jaar om advies kunnen vragen. Bel haar op, zou ik gezegd hebben, spreek je uit! Laat haar weten hoe je je voelt, zeg dat je haar mist, dat je het liefst op de eerstvolgende trein zou willen springen om weer naar haar toe te gaan. In plaats daarvan deed ik wat anders, iets wat totaal vreemd was voor mij. Op die zondagochtend liep ik in alle vroegte naar buiten en ik begon te rennen, te rennen en te rennen. Op maandagochtend deed ik hetzelfde, daarna niet meer, maar enkele dagen later meld ik in mijn dagboek dat ik nog steeds spierpijn heb. (Terzijde: in één van mijn favoriete films, Mauvais Sang van Leos Carax, komt een scène voor waar de hoofdpersoon Alex ook 'ineens' begint te rennen. Hoe eigenaardig dat ook mag zijn, de emotie van die scène begrijp ik maar al te goed.)

Nee, ik belde niet, ik deed niets. Ik wist me geen raad met de situatie. Ik was bang wellicht, bang dat als ik me zou uitten, dat ik dan alles zou verknallen. De liefde zou niet beantwoord worden, dat meende ik te weten en bovendien had ze een vaste relatie en daar hoor je niet in te rommelen. Nee, ik wilde haar vriendschap niet verliezen al moest ik mezelf daarmee geweld aandoen. Zo ongeveer moet ik mezelf voor de gek gehouden hebben. Het was half augustus 1987, het begin van mijn tweede jaar muziekwetenschappen zou nog enkele weken op zich laten wachten. Gelukkig vind ik wat steun bij mijn nieuwe vriend P. Ik ga naar mijn ouders in Friesland, want ik kon niet meer alleen zijn (dagboek 17 augustus 1987). Ik stort mijn hart uit bij mijn zus en we praten tot diep in de nacht. Ik ga naar Leeuwarden en ik koop Anna Karenina. Ik ga een dag zeilen met mijn zwager en mijn broer. Maar ondanks alle afleiding die ik zoek, blijft het onrustig in mijn hoofd, begeleidt door een soort uiterlijke indolentie.

Dan, op woensdagavond 19 augustus 1987, gebeurt er iets wonderlijks. Ik ben met vriend J. naar de film De naam van de roos geweest. Na afloop zitten we tegenover het gerechtsgebouw van Leeuwarden op de laatste bus te wachten. In mijn dagboek beschrijf ik het een dag later zo:

Toen J. en ik om rond 23.00 u de bus wilden halen, werden we aangesproken door een zwerver. Ik weet niet meer wat hij zei, maar het was in ieder geval aanleiding voor mij om zo vriendelijk mogelijk te zeggen "blijf zoeken, mijn vriend, blijf zoeken", hetgeen me niet in dank werd afgenomen. Ik kreeg twee klappen op mijn kaak (licht, het deed geen pijn gelukkig) en er werd me opgewonden duidelijk gemaakt waar ik toch de arrogantie vandaan haalde om zoiets te zeggen, tegen een man van veertig die al zoveel ellende had meegemaakt. Toch wel wat geschrokken (en beledigd) begon ik naar zijn mond te praten om hem een beetje te kalmeren. Hij vroeg J. om op te schuiven (we zaten op een bankje) en hij kwam tussen ons in zitten. (...) Hij vroeg me hoe oud ik was en wat ik daar deed. Het verbaasde hem, dat ik hem consequent met u aansprak, ik mocht hem ook wel schooier noemen, nietwaar? Ik ging er maar niet op in, terwijl hij mij zei, dat alle mensen gelijk waren. (...) Ondertussen had ik in mijn ooghoeken de bus zien aankomen, maar J., die reeds opgestaan was, liet niet duidelijk genoeg merken dat we meewilden en dus reed de bus door. Ik zei tegen de zwerver, dat ik naar het station wilde. Hij antwoorde met een warrig verhaal, dat ik niet wegmocht, dat hij in Leeuwarden de baas was, op een bepaald terrein althans en dat ik daar zou moeten sterven. Toen begon ik me pas echt ongemakkelijk te voelen en vluchtte weg samen met J.. J. vertelde me later, dat het kereltje ons nog voor lafaards had uitgescholden. Misschien had hij gelijk (...) Ik vluchtte meer voor mijzelf weg dan voor hem. Eigenlijk ben ik pas later gaan beseffen, hoe kalm en rustig ik gebleven was, dat ik niet teruggeslagen heb en vriendelijk gebleven ben. J. beweerde, dat hij die man elk moment had kunnen aanvliegen. Bij het station werd ik nerveus en vrolijk tegelijk. Deze ervaring was goed afgelopen en ik kon er weer het nodige van leren. Eigenlijk had ik veel langer met die man willen praten, maar dan wel liever in een vriendelijker verhouding tot elkaar. Nerveus was ik, omdat ik besefte, dat hij me net zo goed een mes tussen de ribben had kunnen steken. "Vecht nooit met iemand die niets te verliezen heeft" spookte het door mijn hoofd.

Ik heb erover nagedacht hoe ik deze gebeurtenis een plaats moet geven in het geheel. Het is verleidelijk om in de figuur van de zwerver de man te zien die verloren heeft en opgegeven, de personificatie van mijn eigen diepere angsten. Echter, het leven is geen literatuur en ik zal de bedreigende situatie toen zeker anders ervaren hebben. In ieder geval valt me op bij het herlezen van mijn dagboek, dat vanaf dat moment mijn belevingswereld een beweging maakt van binnen naar buiten. Het uiterlijke leven krijgt weer een plaats, het doelloos ronddraaien onder mijn hersenpan neemt af.

1.3.2007

Bosch en Duin 1986-1989: intermezzo

Maandagavond. W. is naar een repetitie van haar band, de jongens liggen op bed. Ik zie het glinsteren van het sop op het afwaswater in het licht van de lamp. Nog even hoor ik het ruisen van de regen buiten, voordat uit de woonkamer de klanken van Quatuor Mosaïques komen. Schubert. Ik houd niet van strijkkwartetten, omdat ik de klank maar zelden mooi vind, maar dit ensemble heeft een prachtige en muzikale klank.

Terwijl mijn handen de bekers, de borden, de pannen, het bestek schoonmaken, gaan mijn gedachten bijna twintig jaar terug. Naar de tijd die volgt op het wordt vervolgd onderaan het log van 27 .5.2005. Ik eindigde met In de trein naar Utrecht werd ik overvallen door gevoelens die ik nog nooit in die mate had gevoeld. Toen pas begreep ik wat verliefdheid inhield. Ik moet verder met dat verhaal, dacht ik, terwijl ik een volgende beker in het druiprek zet, maar hoe? Wat voelde ik toen precies en hoe eerlijk waren die gevoelens? Die avond heeft zich vastgekoekt in mijn geheugen als één van de verdrietigste momenten in mijn leven.

Verdriet? Wanhoop? Wat was het nu precies?

Ik kan me een moment in die treinreis terughalen. Ik keek naar buiten en zag de lichten van Amsterdam voorbij gaan. Het besef maakte zich meester van mijn lichaam. Mijn lichaam schokte, het wilde huilen, maar ik wilde het niet, zomaar huilen in de trein. Ik zag mezelf in het raam en ik dacht: dit moment zal ik nooit vergeten. Ik ben het nooit vergeten.

De rest van de reis herinner ik me niet. De overstap op de trein naar Den Dolder. Het fietstochtje naar mijn studentenkamer in Bosch en Duin. De aankomst. Hoe leeg en betekenisloos moet alles geweest zijn. Hoe hebben mijn boeken, mijn bureau, mijn leesstoel, mijn bed in mijn kamer mij bij aankomst begroet? Of waren ze stiller dan ooit? Verliep de tijd trager dan ooit? Was het licht van de lamp lichter dan ooit? Hoe alert worden je zintuigen bij naderend gevaar en als je overmand wordt door gevoelens waar je geen raad mee weet? Hoe donker en zwijgzaam is dan het duister als je in bed ligt?

Wanneer ik de laatste pan op de stapel leg, constateer dat Rosamunde van Schubert ondertussen klinkt, neem ik het besluit om mijn dagboek van die tijd uit de zwarte doos klaar te leggen. Het moet vertelt, nog één keer. En hoe het daarna verder ging. Misschien kan ik dan definitief de deur van mijn studentenkamer in Bosch en Duin achter mij sluiten. Ja! Wordt vervolgd.

27.2.2007

Dat de Nederlandse spreektaal verandert, dat is evident. Soms hoor ik mensen spreken en vraag ik me af waarom ze niet meteen de hele conversatie in het Engels voeren. Nee, weest u gerust, ik ga hier niet zeuren en kankeren op de verloedering van de taal. Langzaam maar zeker zal het Nederlands wel monosyllabisch worden net als vele Chinese talen, gezien het dagelijkse taalgebruik van velen.

Maar toch, hoe leg ik uit dat ik een ongekende mentale jeuk krijg als ik voortdurend om me heen het woord relaxed hoor? Is het omdat het net als vele andere stopwoorden te pas en te onpas wordt gebruikt? Of is het omdat het woord bij mij het tegenovergestelde effect heeft dan het woord inhoudelijk zou moeten doen?

Hoe dan ook, ik negeer het niet eens meer, dát zou nog teveel aandacht zijn. Maar er is één woord, een woord dat me altijd doet struikelen over een slecht liggende stoeptegel en me pontificaal voorover doet storten, een woord dat eruit springt als klankgeworden lelijkheid, een woord waar levenslange uitsluiting op zou moeten staan ... en dat is het woord – o gruwel en hel, ik ga het nu zelf opschrijven! – shoppen.

14.2.2007

Heeft u wel eens last van orewoet? Orewoet? Ja, orewoet. De DBNL omschrijft het als de toestand van verrukking, de geestvervoering, waarin de dichteres Hadewych en andere mystieken verkeerden als gevolg van de hemelse 'minne'. Frits van Oostrom schrijft erover in Stemmen op schrfit. Het middelnederlandse woord is lastig te vertalen, het heeft eigenlijk geen modern equivalent. Ik vind het een prachtig woord. Je kunt er een soos, een boot naar noemen of een stichting gewijd aan onderzoek naar het verband tussen taal en bewustzijn, maar hoe het nu precies voelt, daarvoor moeten we misschien terug naar de Middeleeuwen en dan moeten we eerst een mystiek huwelijk aangaan met Jezus om echt te ervaren wat orewoet is.

In zijn aanvullingen komt Van Oostrom even terug op het woord. Als u wel eens last hebt van orewoet, wellicht kunt u me dan eens vertellen hoe dat nu voelt?

9.2.2007

Wanneer ik van mijn werk naar het Centraal Station in Amsterdam loop, zie ik veel mensen foto's maken. Vooral op de Dam en het Damrak en ik heb het eigenaardige idee, dat ik vaak terloops op de foto ben gekomen. Het is mogelijk dat ik in menig fotoalbum in China en Japan prijk. Kijk, het Paleis op de Dam, en ergens in de marge mensen waaronder ik. Of, kijk daar in de verte, het Centraal Station in Amsterdam, jammer alleen dat die man met zijn rode jas ...

Laten zien hoe de wereld eruit zag toen je op vakantie was. Laten zien, maar zelden laten horen of het moet toevallig op de video terecht gekomen zijn. Bent u ooit bij iemand geweest die zei, Praag klinkt zo mooi, of Barcelona, of Rome. Heeft u weleens door Amsterdam gelopen en u afgevraagt hoe de stad klinkt? Het carillon op de Dam, het winkelend publiek in de Kalverstraat, de trams over het Spui? Of de stadse stilte in de vroege ochtend van een nieuwe werkdag?

En, zoals sommige fotografen kunst maken van hun afbeeldingen, zouden er componisten zijn die muziek kunnen maken van zo'n stad?

5.2.2007

Op bladzijde 484 van Stemmen op schrift van Frits van Oostrom staat een afbeelding met als bijschrift Vos leert haas het credo; illustratie in de marge van het psalter van de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre. Tot mijn verbazing kwam ik deze afbeedling eveneens tegen op de website http://www.literatuur-geschiedenis.nl/, meteen op de homepage linksboven. Een prachtige afbeelding waarover Van Oostrom verhaalt:

Al evenmin bewijsbaar, maar wel waarschijnlijk is de seksuele lading van de scène aan het begin van Vanden vos Reynaerde waarin Pancer de bever, zich voegend in het klachtenkoor over wandaden van de vos, vertelt hoe hij ooit Reynaerts hol passeerde en zag hoe deze doende was Cuwaert de haas het credo van de mis te leren zingen, omdat hij hem wilde maken capelaen. Reynaert had de haas daartoe vaste tusschen sine beene geklemd en beet hem elke keer fel in de nek als Cuwaert zich in de tekst of toon vergiste. Voor Hellinga leed het geen twijfel dat hier wordt gezinspeeld op sodomie. Enkele sindsdien opgedoken afbeeldingen van deze scène in middeleeuwse handschriften lijken deze interpretatie te bevestigen, en stijven de aloude opvatting van Buitenrust Hettema, die al in 1909 in dezelfde richting redeneerde, mede nadat hij op een treinreis in de Zaanstreek de fameus grofgebekte meisjes van Jamin de uitdrukking burgemeester maken had horen bezigen voor aftrekken. Recentelijk is trouwens Cuwaerts naam geduid als woordspeling niet op coward, maar op cul-waert, kontwaarts; en ook is nog een marginale afbeelding ontdekt in een Vlaams getijdenboek van omstreeks 1300, waarin een haas met bebloed achterste angstig opkijkt uit een boek ...

Frits van Oostrom Stemmen op schrift, 483-484

Literatuurgeschiedenis.nl is een website voor middelbare scholieren, maar ook andere belangstellenden kunnen daar aardige informatie weghalen. Zo vond ik op de pagina over Hadewijch een mogelijkheid om haar tekst voorgelezen te beluisteren. Erg mooi, een aanrader! De link staat ongeveer halverwege de pagina.

4.2.2007

De afgelopen dagen heb ik weer verwoed zitten lezen in Stemmen op schrift van Frits van Oostrom. Ik was aanbeland in het vierde deel over Missie en mystiek. Waarom nu juist dat deel mijn speciale belangstelling heeft, dat kan ik u niet zomaar uitleggen. De afgelopen dagen heb ik erover nagedacht, bij wijze van spreken al vele logjes geschreven hierover en wie weet vinden ze alhier nog hun neerslag.

Eén van de redenen is, dat de mystica Hadewijch in dit deel aan bod komt. Waarom die naam zo tot mijn verbeelding spreekt, dat weet ik niet. Naast de literatuurgeschiedenislessen op de middelbare school, ken ik de naam eigenlijk alleen uit het theaterwerk De Materie van Louis Andriessen. Van Oostrom schrijft met liefde over het werk van Hadewijch en geeft een goed beeld van de tijd waarin het vermoedelijk ontstond. De persoon Hadewijch blijft daarbij zelf een groot mysterie, we weten eigenlijk niets over haar.

Ay, al es nu die winter cout,
Cort die daghe ende die nachte langhe,
Ons naket saen een somer stout,
Die ons ute dien bedwanghe
Schiere sal bringhen: dat es in schine
Bi desen nuwen iare;
Die asel brinct ons bloemen fine;
Dat es een teken openbare.
- Ay, vale, vale, milies -
Ghi alle die nuwen tide
- Si dixero, non satis est -
Om minne wilt wesen blide.

Dit is het eerste strofische gedicht van Hadewijch. Toelichting en leeshulp kunt u vinden bij de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. Bij de Deltareeks staat een nieuwe uitgave van het werk van Hadewijch op stapel. Louis Andriessen over Hadewijch, daarover kunt u bij de Koninklijke Bibliotheek lezen.

Vaert wel ende levet scone

2.2.2007

Is het toeval dat ik me de laatste tijd steeds vaker groen en geel erger aan de oudere man? Het is moeilijk om er een leeftijd bij te zetten, want ik ken de leeftijd niet van de heren, maar ze zijn ouder dan ik. Ik kom ze tegen in het weblogwereldje en op een forum. Ze zijn het met me oneens, soms om een detail, soms om de strekking van mijn verhaal. Dat ze het met me oneens zijn is het probleem niet, het is de manier waarop. Even iemand op z'n plek zetten.

Of ben ik er wellicht overgevoelig voor geworden? Ik heb een ongelofelijke hekel aan paternalisme. Het feit dat in argumentatie leeftijd mee gaat spelen. Sommigen doen het open en bloot. Ze wijzen me er even op dat, toen zij nog jong waren, zij er ook zo over dachten, maar dat ze intussen wijzer zijn geworden. Of iemand die zonder blikken of blozen me inpepert, dat zijn zoons ook zo reageerden, maar intussen wel beter weten. Woedend word ik om zo'n toontje. Waar halen ze de arrogantie vandaan?

Of moet ik het als een compliment beschouwen dat iemand, die me slechts via tekst op een beeldscherm kent, me schijnbaar heel jong inschat? Sommigen zijn uiteindelijk verbaasd dat ik negenendertig ben, getrouwd en vader van twee zonen? Een enkeling bestempelt mij na het krijgen van die informatie als een hopeloos geval. Iemand die op zijn negenendertigste nog steeds idealistisch wil zijn, tsja, die kun je niet meer serieus nemen. En dat is het nu precies: het gevoel niet serieus genomen te worden, een sfeer te voelen van een soort meester-leerling verhouding. Ik ervaar het als kwetsend, het is een zeer zwakke plek bij mij.

Soms denk ik dat de relatie met mijn eigen vader meespeelt. Mijn vader en ik hebben een flink generatieconflict uitgevochten. We waren het uit principe altijd met elkaar oneens. We konden nooit met elkaar discussiëren zonder dat er een enorme spanning werd opgeroepen. Stemverheffing en ruzie lagen altijd om de hoek. Ik als jonge adolescent uit de generatie 1967 en hij als man die de oorlog nog had meegemaakt.

Maar ik ben mijn vader achteraf altijd dankbaar geweest. In onze eindeloze woordenstrijd heb ik geleerd te formuleren wat ik dacht en vond, het heeft me gevormd. Mijn vader nam me ook volstrekt serieus, ook al kwam hij ook wel eens met het leeftijdsargument. De strijd was ook oneerlijk, mijn vader was verbaal niet tegen mij opgewassen, ik praatte hem altijd onder de tafel en dat was voor hem heel moeilijk. Ondertussen zijn we een stuk verdraagzamer geworden en hebben we eerder een goed gesprek dat een woordenoorlog. We luisteren beter naar elkaar en we zijn het vaak ook eenvoudigweg eens.

De gestropdaste heren uit de babyboomgeneratie zijn echter mijn vader niet. Ik accepteer geen neerbuigend toontje, wat denken ze wel? Reageren ze soms hun eigen vaderlijke frustratie af op een ieder die een beetje jonger is?

Hoe dan ook, wat me hierbij doet lachen is, dat er elke keer ook een muzikaal fragment in mij boven komt. Elke keer als een dergelijk conflict opspeelt, zie ik een scene uit Siegfried van Wagner en hoor ik de muziek: Solang' ich lebe, stand mir ein Alter stets im Wege; (...). Het is de geweldige scene tussen de oude wijze Wanderer/Wotan en de jonge Siegfried, één van de vele muzikale hoogtepunten uit Der Ring des Nibelungen. Siegfried ergert zich kapot en met zijn zwaard slaat hij het symbool van Wotans macht, zijn speer, doormidden. Als toeschouwer voelt men onwillekeurig medelijden met Wanderer wanneer zijn laatste woorden zijn: Zieh hin! Ich kann dich niet halten!.

29.1.2007

Stijn vroeg aan mij om vijf intrigerende dingen over mezelf of mijn weblog te vertellen en om dan het stokje bij wijze van virtueel tikspel door te geven. Of het vijf intrigerende dingen zijn mag de lezer zelf bepalen, willekeurig zijn ze in ieder geval wel.

1. Een dag niet gelezen is een dag niet geleefd. Dit is natuurlijk overdreven, maar desalniettemin, wanneer ik 's avond naar bed ga en me realiseer dat ik niet aan lezen ben toegekomen, dan is er toch een gevoel van gemis.

2. Ik ben niet hebzuchtig, behalve als het om boeken gaat. Daarbij moet ik aantekenen dat ik niet bibliofiel ben. Wel ben ik gevoelig voor seriewerken die mooi in de kast staan. Doorgaans wil ik boeken binnen handbereik hebben. Natuurlijk is het een droom van mij om mijn huis als een privé-bibliotheek in te richten, maar dat wil ik mijn gezin niet aandoen. Daarbij komt dat ik toch al zoveel boeken heb die nog gelezen moeten worden, dat enige zelfbeheersing in de aanschaf ervan zeer noodzakelijk is. Dat kost moeite, maar het lukt.

3. Naarmate ik ouder word, lees ik steeds minder fictie. Onlangs las ik ergens, dat ik daarin niet uniek ben. Ik probeer het tij te keren.

4. Ik ben meer geïnteresseerd in schoonheid, dan in waarheid. Wellicht is dit de oorzaak dat ik vrij onbevangen naar religie kan kijken. Of, bijvoorbeeld, het zenboeddhisme waar is of niet, interesseert me eigenlijk niet zo veel. De esthetiek van de literatuur of de beeldende kunst, de levenswijze van sommige boeddhisten, dat spreekt mij meer aan.

5. Ik hou van eenvoud, maar ik voeg eraan toe: eenvoud kan zeer complex zijn. Het heeft ongetwijfeld met mijn sensitiviteit te maken, ik verdraag chaos en onrust slecht. Het is dus niet alleen een esthetische keuze (niet alle kunst die ik mooi vind kenmerkt zich door eenvoud), het is ook een noodzakelijke keuze.

Nu moet ik vijf andere bloggers aantikken om het stokje over te nemen. Ik weet zolangzamerhand dat de meeste bloggers er niet op zitten te wachten. Dat ik dan toch vijf logs noem, heeft meer ermee te maken dat ik graag reclame voor ze maak, dan dat ik ze een stokje wil aandoen: indigo, kleine keizerin, kuikentje, maansverduistering en peet.

26.1.2007

Een herinnering aan Taizé uit vervlogen dagen die de laatste tijd nogal eens bij mij opkomt. Ik zie mezelf zitten, daar, naast de kerk. Vanwege de zomerse warmte staan de deuren open en komt het typische gezang van Taizé naar buiten. Het moet één van mijn laatste bezoeken geweest zijn aan Taizé. Ik begon me steeds meer te onttrekken aan de dagelijkse routine, waar het driemaal daags de kerk bezoeken bijhoorde.

De kerkdiensten zijn nauwelijks vergelijkbaar met de protestantse diensten die nog doorgaans in Nederland worden gehouden. In Taizé zijn bijna geen banken, iedereen zit op de grond. Er wordt veel gezongen, er is een lezing uit de Bijbel, er is stilte en er zijn gebeden. Ik vond het altijd mooi en inspirerend en ik keek altijd uit naar die diensten. Wat was er veranderd?

Over mijn vierde en vijfde bezoek aan Taizé vind ik weinig terug in mijn dagboeken. Toch vind ik kleine aanwijzingen dat er iets aan het veranderen is. Op 12 juli 1988 schrijf ik onder andere (met slordige taalfouten): Zo kunnen de kerkdienst mij niet meer zo bekoren als in voorgaande jaren. Ook vorig jaar werd het al minder. Het is jammer, maar ik denk, dat ik nuchterder tegen alles hier aankijk. Ik weet eigenlijk niet of ik het hier wel echt naar mijn zin heb. Ik heb het gevoel, dat ik erin loop te berusten dat ik hier ben. Waar zijn de mooie jaren gebleven? Waren die wel zo mooi? De volgende dag ben ik alweer wat positiever, maar een dag later staat er meteen: Ik ben minder gevoelig voor de sfeer in Taizé geworden. Nog een dag later, vrijdag, schrijf ik alleen nog maar de titelgegevens van een boek op: Benjamin Hoff Tao van Poeh. Ik had iemand ontmoet die dat boek las.

Een jaar later, het laatste jaar, ga ik niet meer met een groep, maar ben ik met een vriend liftend naar Taizé gegaan. Daardoor was ik meer op mezelf aangewezen en kon ik niet terugvallen op een groep. Op dinsdag 25 juli 1989 schrijf ik dan: De diensten kunnen me itt vorig jaar weer bekoren. Dan schrijf ik dagen niet meer. Ik heb leuk contact met een Italiaans meisje en geef schaakles aan een Spaanse, Marisol heet ze. Op vrijdag neem ik draad weer op: Gisteren heb ik geen enkele dienst meegemaakt in de kerk, bewust niet. IK begin me niet meer thuis te voelen in al dit christengedoe. Ik voelde me meer thuis naast de kerk onder de bomen liggend op een bankje. Voor mij is god eerder daar dan in die "massale schijnheiligheid". Desalniettemin, de week gaat snel en vanmiddag na het schaken ga ik alweer in stilte om een traditioneel bezoek aan Ameugny te brengen. Dat bezoek komt er niet van, ik geef weer schaakles aan Marisol. Schijnbaar ging het niet alleen over schaken: Ze verbaasde zich ontzettend over mijn ongelovigheid. Ik wil in mijzelf geloven en dan nog wel eens zien of er een God bestaat. In deze zin heeft er zich een hele verandering voltrokken deze week, een belangrijke verandering geloof ik.

Van alle gebeurtenissen die week, herinner ik me vooral nog dat bankje onder die boom naast de kerk. Daar moet het als het ware gebeurd zijn. Meestal zat ik daar te lezen in één van de boeken die ik altijd bij me had. De Tao van Poeh ongetwijfeld en vast ook een deel Nietzsche. Maar ook de Inleiding tot het Zen-Boeddhisme van D.T. Suzuki. Wellicht is het een sluipend proces geweest, dat bij elk bezoek aan Taizé sterker is geworden. Daarom zeg ik wel eens, dat ik het christelijke geloven heb afgeleerd in Taizé. Al die enthousiast jongeren, het werd voor mij elk jaar meer een maskerade. Ik hoorde niet meer in die kerk, de kerk was een gepasseerd station. Met weemoed, want sommige lezers onder u weten dat ik ook andere herinneringen koester aan die plaats. Het ging niet meer, er moest een beslissing genomen worden. Had ik teveel Nietzsche gelezen en begrepen? Had het lezen over het Taoïsme en het Zen-Boeddhisme bij mij het gevoel doen groeien, dat ik zonder god ook een religieus mens kon zijn. Met de wereld als kerk?

Marisol gaf me bij het afscheid een klein kaartje cadeau. Op de voorzijde staat een schilderij van Dali: Christus aan het kruis zweeft in de lucht boven een meer. Bootjes zijn aangemeerd, aan de kant staan mensen. Licht breekt door de donkere wolken. Achterop het kaartje heeft Marisol een tekst geschreven. Mijn Spaans is niet super en het handschrift moeilijk te lezen, maar ik denk dat er ongeveer het volgende staat: TAIZÉ JUL 89 // Para Jan Willem / con cariño. // Todos estamos namados (of vamados?) a andor / sobre el mar, como / Jesús. // Con cariño / MSol. Ik vond het kaartje uiteindelijk terug als boekenlegger in een deel Sämtliche Briefe van Nietzsche. Marisol had de hoop nog niet opgegeven.

22.1.2007

Zou het dan zomaar kunnen zijn, dat het najagen van geluk gedoemd is te mislukken? Terwijl diegenen die het geluk niet meer zoeken, het geluk vinden en maar al te vaak in kleine dingen. Is dat dan wellicht de schoonheid van melancholie? Dat in de melancholie geluk voor het oprapen blijkt te liggen?

15.1.2007

Een goede manier om de klad eruit te krijgen, is deze bij de lurf te grijpen. Daar kan het niet tegen.

11.1.2007

Het is de klad. Die zit er in. Hoe krijg ik het er weer uit?

10.1.2007

We worden allen in het leven geworpen en we weten allemaal dat op een dag het leven weer wordt weggenomen. Dasein ist Sein zum Tode schreef Heidegger. En ook Das Sein zum Tode ist wesenhaft Angst. Het waarom is een mooi en afschrikwekkend mysterie.

Niet minder groot is het mysterie waarom het leven voor de één anders loopt dan voor de ander. Waarom de één op dieet moet en de ander sterft van de honger. Waarom de één slachtoffer wordt van de nukken van een dictator en waarom de ander uitgroeit tot een dictator.

De doodsangst. Staan op een plankje met een strop om je hals. Te weten dat het in een fractie van seconde zal gebeuren. De angst voor de pijn, het verdriet dat het leven zal eindigen. Oog in oog met de onmetelijke afgrond van het waarom. En er is geen antwoord.

2.1.2007