De familie L. eet warm. Aangeschoven is een vriendje van oudste zoon. Manmoedig probeert dat vriendje met zijn vork de laatste korrels rijst te pakken te krijgen en krast daarbij over het bord. Dat gaat mij door merg en been en vriendelijk vraag ik hem zijn lepel te gebruiken, daar het geluid van de vork mij tot waanzin drijft.

Vriendje vertelt, dat hij tegen het krassen van nagels op een schoolbord kan, als enige in de klas. Daarom doet hij dat graag. Oudste zoon zegt, dat hij dat niet kan, omdat hij soms op zijn nagels bijt. Vriendje zegt, dat hij niet op zijn nagels bijt, maar soms peutert. Er zijn mensen, zegt vriendje, die ook tussen hun tenen peuteren.

Dan grijp mijn vrouw in. Dit vindt zij geen onderwerp voor aan tafel, het zou de eetlust maar bederven. Maar wat is daar nu mis mee, probeert vriendje nog een keer, tussen je tenen peuteren. Vrouw is onverbiddelijk, ophouden nu.

Er valt een stilte. Er komt iets in mij boven, een soort van jongetje van tien dat er ineens uit wil. Eerst vormt er zich een glimlach om mijn mond, dan laat het zich niet meer kluisteren

Er zijn ook mensen die aan hun reet krabben, zeg ik.

Vrouw is verbijsterd. Ze weet niet of ze om mij moet lachen of dat ze nu moet optreden. Ja, ophouden nu, is het enige wat ze nog kan zeggen.

Er valt weer een stilte. We ruimen af voor het toetje.

Dat doet me trouwens denken aan een Jan, Jans en de kinderen, begin ik. Zij aten een chocolade toetje dat niet goed uit de vorm kwam, waarop de kleinste dochter netjes over de hond van een bekende begint.

Wij eten gelukkig vanillevla.