De afgelopen dagen heb ik weer verwoed zitten lezen in Stemmen op schrift van Frits van Oostrom. Ik was aanbeland in het vierde deel over Missie en mystiek. Waarom nu juist dat deel mijn speciale belangstelling heeft, dat kan ik u niet zomaar uitleggen. De afgelopen dagen heb ik erover nagedacht, bij wijze van spreken al vele logjes geschreven hierover en wie weet vinden ze alhier nog hun neerslag.

Eén van de redenen is, dat de mystica Hadewijch in dit deel aan bod komt. Waarom die naam zo tot mijn verbeelding spreekt, dat weet ik niet. Naast de literatuurgeschiedenislessen op de middelbare school, ken ik de naam eigenlijk alleen uit het theaterwerk De Materie van Louis Andriessen. Van Oostrom schrijft met liefde over het werk van Hadewijch en geeft een goed beeld van de tijd waarin het vermoedelijk ontstond. De persoon Hadewijch blijft daarbij zelf een groot mysterie, we weten eigenlijk niets over haar.

Ay, al es nu die winter cout,
Cort die daghe ende die nachte langhe,
Ons naket saen een somer stout,
Die ons ute dien bedwanghe
Schiere sal bringhen: dat es in schine
Bi desen nuwen iare;
Die asel brinct ons bloemen fine;
Dat es een teken openbare.
- Ay, vale, vale, milies -
Ghi alle die nuwen tide
- Si dixero, non satis est -
Om minne wilt wesen blide.

Dit is het eerste strofische gedicht van Hadewijch. Toelichting en leeshulp kunt u vinden bij de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. Bij de Deltareeks staat een nieuwe uitgave van het werk van Hadewijch op stapel. Louis Andriessen over Hadewijch, daarover kunt u bij de Koninklijke Bibliotheek lezen.

Vaert wel ende levet scone