Bosch en Duin 1986-1989 II (1)

Had de jwl van 19 toen maar de jwl van 39 jaar om advies kunnen vragen. Bel haar op, zou ik gezegd hebben, spreek je uit! Laat haar weten hoe je je voelt, zeg dat je haar mist, dat je het liefst op de eerstvolgende trein zou willen springen om weer naar haar toe te gaan. In plaats daarvan deed ik wat anders, iets wat totaal vreemd was voor mij. Op die zondagochtend liep ik in alle vroegte naar buiten en ik begon te rennen, te rennen en te rennen. Op maandagochtend deed ik hetzelfde, daarna niet meer, maar enkele dagen later meld ik in mijn dagboek dat ik nog steeds spierpijn heb. (Terzijde: in één van mijn favoriete films, Mauvais Sang van Leos Carax, komt een scène voor waar de hoofdpersoon Alex ook 'ineens' begint te rennen. Hoe eigenaardig dat ook mag zijn, de emotie van die scène begrijp ik maar al te goed.)

Nee, ik belde niet, ik deed niets. Ik wist me geen raad met de situatie. Ik was bang wellicht, bang dat als ik me zou uitten, dat ik dan alles zou verknallen. De liefde zou niet beantwoord worden, dat meende ik te weten en bovendien had ze een vaste relatie en daar hoor je niet in te rommelen. Nee, ik wilde haar vriendschap niet verliezen al moest ik mezelf daarmee geweld aandoen. Zo ongeveer moet ik mezelf voor de gek gehouden hebben. Het was half augustus 1987, het begin van mijn tweede jaar muziekwetenschappen zou nog enkele weken op zich laten wachten. Gelukkig vind ik wat steun bij mijn nieuwe vriend P. Ik ga naar mijn ouders in Friesland, want ik kon niet meer alleen zijn (dagboek 17 augustus 1987). Ik stort mijn hart uit bij mijn zus en we praten tot diep in de nacht. Ik ga naar Leeuwarden en ik koop Anna Karenina. Ik ga een dag zeilen met mijn zwager en mijn broer. Maar ondanks alle afleiding die ik zoek, blijft het onrustig in mijn hoofd, begeleidt door een soort uiterlijke indolentie.

Dan, op woensdagavond 19 augustus 1987, gebeurt er iets wonderlijks. Ik ben met vriend J. naar de film De naam van de roos geweest. Na afloop zitten we tegenover het gerechtsgebouw van Leeuwarden op de laatste bus te wachten. In mijn dagboek beschrijf ik het een dag later zo:

Toen J. en ik om rond 23.00 u de bus wilden halen, werden we aangesproken door een zwerver. Ik weet niet meer wat hij zei, maar het was in ieder geval aanleiding voor mij om zo vriendelijk mogelijk te zeggen "blijf zoeken, mijn vriend, blijf zoeken", hetgeen me niet in dank werd afgenomen. Ik kreeg twee klappen op mijn kaak (licht, het deed geen pijn gelukkig) en er werd me opgewonden duidelijk gemaakt waar ik toch de arrogantie vandaan haalde om zoiets te zeggen, tegen een man van veertig die al zoveel ellende had meegemaakt. Toch wel wat geschrokken (en beledigd) begon ik naar zijn mond te praten om hem een beetje te kalmeren. Hij vroeg J. om op te schuiven (we zaten op een bankje) en hij kwam tussen ons in zitten. (...) Hij vroeg me hoe oud ik was en wat ik daar deed. Het verbaasde hem, dat ik hem consequent met u aansprak, ik mocht hem ook wel schooier noemen, nietwaar? Ik ging er maar niet op in, terwijl hij mij zei, dat alle mensen gelijk waren. (...) Ondertussen had ik in mijn ooghoeken de bus zien aankomen, maar J., die reeds opgestaan was, liet niet duidelijk genoeg merken dat we meewilden en dus reed de bus door. Ik zei tegen de zwerver, dat ik naar het station wilde. Hij antwoorde met een warrig verhaal, dat ik niet wegmocht, dat hij in Leeuwarden de baas was, op een bepaald terrein althans en dat ik daar zou moeten sterven. Toen begon ik me pas echt ongemakkelijk te voelen en vluchtte weg samen met J.. J. vertelde me later, dat het kereltje ons nog voor lafaards had uitgescholden. Misschien had hij gelijk (...) Ik vluchtte meer voor mijzelf weg dan voor hem. Eigenlijk ben ik pas later gaan beseffen, hoe kalm en rustig ik gebleven was, dat ik niet teruggeslagen heb en vriendelijk gebleven ben. J. beweerde, dat hij die man elk moment had kunnen aanvliegen. Bij het station werd ik nerveus en vrolijk tegelijk. Deze ervaring was goed afgelopen en ik kon er weer het nodige van leren. Eigenlijk had ik veel langer met die man willen praten, maar dan wel liever in een vriendelijker verhouding tot elkaar. Nerveus was ik, omdat ik besefte, dat hij me net zo goed een mes tussen de ribben had kunnen steken. "Vecht nooit met iemand die niets te verliezen heeft" spookte het door mijn hoofd.

Ik heb erover nagedacht hoe ik deze gebeurtenis een plaats moet geven in het geheel. Het is verleidelijk om in de figuur van de zwerver de man te zien die verloren heeft en opgegeven, de personificatie van mijn eigen diepere angsten. Echter, het leven is geen literatuur en ik zal de bedreigende situatie toen zeker anders ervaren hebben. In ieder geval valt me op bij het herlezen van mijn dagboek, dat vanaf dat moment mijn belevingswereld een beweging maakt van binnen naar buiten. Het uiterlijke leven krijgt weer een plaats, het doelloos ronddraaien onder mijn hersenpan neemt af.