Bosch en Duin 1986-1989 II (2)

Op 6 september 1987 noteer ik in mijn dagboek: Naar de "Tristan" in Amsterdam geweest. Ondertussen de brief aan H. gepost.

Ik had in het voorjaar een abonnement genomen op de Nederlandse Opera. In het nieuwe gebouw De Stopera in Amsterdam stond voor het eerst een opera op het programma van Richard Wagner. Ik dweepte met die componist en zijn muziek en ik wilde per se naar één van de opvoeringen. Om geen risico te lopen bij de losse kaartverkoop buiten de boot te vallen, abonneerde ik me op de zondagmiddagmatinee die uit vier producties bestond. Een week voor de opvoering was ik nog naar het Rendez-vous met Wagner geweest, in de kleine zaal van het Concertgebouw. Martin van Amerongen gaf daar een introductie op de Tristan en dat wilde ik niet missen aangezien Van Amerongen ook de auteur was van het eerste boek dat ik ooit over Wagner had aangeschaft, De buikspreker van God.

Er valt verschrikkelijk veel over het muziekdrama Tristan und Isolde te vertellen. Muziektheoretisch interessant is de zwevende tonaliteit. Wagner stelt voortdurend de bevestiging van de toonsoort uit, waardoor de muziek een extreem zoekend karakter krijgt. Elke keer wanneer er een thuiskomst, een oplossing lijkt te komen, wordt het weer uitgesteld waardoor er onrust en nervositeit onstaat, maar ook een enorme gepassioneerdheid. Het is de muzikale uitdrukking van de onmogelijke en fatale liefde tussen Tristan en Isolde. De muziek is een ongekende voortstuwende klankzee waaraan geen ontkomen is. Een ieder die ontvankelijk is voor deze muziek – en dat was ik toen in extreme mate – wordt meegesleurd en in de kern van zijn gevoelswereld geraakt.

Richard Wagner schreef het in de jaren vijftig van de negentiende eeuw. Hij onderhield een geheime relatie met Mathilde Wesendonck, de vrouw van zijn mecenas. Toen de relatie ontdekt werd, vertrok Wagner naar Venetië en schreef Tristan und Isolde. De bewaarde briefwisseling tussen Mathilde Wesendonck en Richard Wagner is één van de mooiste die ik ken. Wagner zette ook gedichten van Mathilde op muziek, de Wesendonck Lieder, die muzikaal thematisch met de Tristan verbonden zijn. Ik vind het nog steeds een raadsel hoe Wagner in deze hartstochtelijke relatie, in opperste eenzaamheid in Venetië de Tristan heeft kunnen schrijven. Hoewel de emotie in dit werk muzikaal aan alle kanten lijkt te ontsporen, ontspoort de (harmonische) structuur van de compositie nergens: Wagner had de gehele compositie als een koele kikker in de hand. Dit kan geen werk zijn van een wanhopig kunstenaar in tranen achter zijn vleugel.

Het hoeft geen betoog, dat ik me indertijd helemaal kon onderdompelen in het verhaal en de muziek van dit muziekdrama.

In de dagen voor het bezoek aan deze opera moet er een even theatraal als pathetisch idee onstaan zijn bij mij. Als het leven dan geen literatuur was, dan moest ik het maar een handje helpen. Ik besloot een liefdesbrief te schrijven aan H. en het op de dag van de Tristan te posten. Schijnbaar zag ik het belachelijke van de symboliek van dit idee niet. Natuurlijk zou deze symboliek alleen aan mijzelf bekend zijn, maar daar dacht ik indertijd anders over. Toen was ik dermate religieus en spiritueel ingesteld, dat bewust of onbewust meegespeeld zal hebben dat ik ervan uitging, dat in een andere werkelijkheid deze symboliek niet onopgemerkt voorbij zou gaan. Het onbrak er nog maar aan, dat ik niet eerst de planeten of de I Tsjing had geraadpleegd om de juiste dag of tijdstip te bepalen voor het versturen van die brief.

Het werd nog absurder. Die zondag stond ik op met een lichte verhoging. Ik ging met de trein naar Amsterdam en daar met de metro naar het Waterlooplein. Vlak voordat ik het muziektheater binnenstapte, poste ik de brief in een brievenbus. Nu kon ik niet meer terug. Tijdens de voorstelling, in de warmte van de zaal, kreeg ik koorts. Tijdens de derde akte gloeide mijn hoofd aan alle kanten, mijn neus liep en mijn ogen traanden. O dieser Sonne / sengender Strahl, / wie brennt mir das Hirn / seine glühende Qual! (nee, Wagner was geen groot dichter). Ik heb me zelden zo eenzaam en beroerd gevoeld.

Toen ik het theater na afloop verliet, voelde ik me doodziek. Onderweg naar het metrostation passeerde ik twee dames op leeftijd bij een tramhalte. Ik ving een flard van het gesprek op, één van de twee zei met een diepe ironische zucht: Die sterfscène duurde wel lang hè? Deze relativering kwam precies op het goede moment, met een grote glimlach op mijn gezicht heb ik toen mijn weg vervolgd.