Bosch en Duin 1986-1989 II (3)

De dag na de Tristan begon voor mij het nieuwe collegejaar. Dat betekende weer enige regelmaat in de week, op tijd opstaan, werk aan de winkel en meer contact met mijn studievrienden.

Wat dat laatste betreft, er begon zich een groepje te vormen waar ik min of meer deel van uitmaakte. Enerzijds stimuleerde ik de groepsvorming zelf, anderzijds had ik er een hekel aan. Zo organiseerde ik nog een bezoek aan het Muziektheater om opnieuw de Tristan de bekijken, ditmaal met vrienden. Ik regelde de kaartjes en nam het risico deze vooruit te betalen. Het werd een gezellige avond. Hetzelfde groepje ondernam de reis naar Bosch en Duin om in oktober mijn verjaardag te vieren. Het waren de vrienden op de korte afstand, de vrienden die ik zeer vaak tegenkwam. Ze waren belangrijk voor mij, maar er bleef reserve tussen mij en de groep. Illustratief is het volgende voorval dat ik in mijn dagboek (4 oktober 1987) als volgt aanstip: Er werd in devote stilzwijgen naar de Vijfde Symfonie van Van Beethoven geluisterd olv C Hoghwood. Dit was echt belachelijk. O, de uitvoering was echt heel boeiend, maar geforceerd op een studentenkamer naar zo'n symfonie gaan zitten luisteren vond ik allesbehalve gezellig. Ik kon het eenzijdige, bijna religieuze enthousiasme voor de klassieke muziek niet delen met mijn studievrienden. De wereld bestond voor hun alleen maar uit muziek. De gesprekken konden alleen maar over muziek gaan. Het was alsof de frustratie van het zwijgen op de middelbare school waar klassieke muziek natuurlijk niet populair was, nu met volle kracht eruit kwam. Nu zij onder gelijkgestemden verkeerden, moesten er verloren jaren ingehaald worden.

Voor mij was de wereld zoveel groter, ik wilde mijn wereld niet beperken tot alleen maar mijn studie. Literatuur, filosofie en religie waren voor mij minstens zo belangrijk. Popmuziek was allerminst taboe. Ik dacht er niet aan om mijn smaak te laten begrenzen door de klassieke muziek, de muziekwereld was zoveel breder en rijker. En natuurlijk wilde ik over mijn onmogelijke liefde praten.

Twee vrienden werden steeds belangrijker voor mij op verschillende manieren.

Met D. kon ik lachen en onze vriendschap bleef oppervlakkig. Soms hadden we het wel eens over serieuze onderwerpen, maar het ging dan niet om persoonlijke problemen. D. was ook egocentrisch, stond graag alleen in het middelpunt van de belangstelling, wat vaak ergernis bij mij opwekte. Hij was onbetrouwbaar, afspraken werden maar al te vaak niet nagekomen. Maar ik kon het hem niet echt kwalijk nemen, ik hield er rekening mee en grimlachte dan maar weer dat het 'typisch D.' was. D. was grootgebracht door zijn grootmoeder en zijn grootmoeder was actief in het Theosofisch Genootschap. Met D. kon ik dus over mijn belangstelling voor new age praten. Astrologie, numerologie, aziatische godsdiensten, voor D. was het allemaal gesneden koek. Aangezien hij slechts vier dagen ouder was, zagen we onszelf graag als de Twee Weegschalen. D. was voor mij vrolijke chaos, liefde voor romantische esthetiek (hij dweepte met Liszt), ongecompliceerd lachen, studiegenoten op stang jagen. D. was een warme middagzon waarin ik energie kon opdoen. Eindeloze gesprekken hebben we aan de telefoon gehad. D. straalde optimisme uit, het grote gebaar, de schone schijn. Hij bleef me herinneren aan de onbezorgde, kinderlijke vrolijkheid die ik nog ergens in me moest hebben. D. had ook vele plannen en ideeën, maar er kwam nooit iets van. Met D. ging ik vaak naar de film, we spraken over boeken (Thomas Mann) en levensbeschouwingen. Hij was een vriend, juist omdat het onpersoonlijk bleef, juist omdat hij ergerniswekkend was. Zonder zijn aanwezigheid was mijn studie veel donkerder en zwaarder geweest!

P. werd in korte tijd mijn boezemvriend, maar was volstrekt tegengesteld aan D. P. stond buiten het groepje, was twee jaar ouder. P. was als het ware de W.F. Hermans onder mijn vrienden. Ik had hem die zomer opnieuw ontmoet nadat zijn vriendin bij hem was weggegaan. Atheïst en pessimist, cynisme en ironie. Wij konden over onze persoonlijke problemen praten, de teleurstellingen in het leven. Het leven is hard en vol tegenslagen ... was een terugkerende frase. P. was de warmte op de winteravond en onmisbaar voor mij. Hij was belangstellend, trouw en eerlijk. P. maakte mij enthousiast voor oude muziek en de historische uitvoeringspraktijk. Bach was God en Gustav Leonhardt zijn profeet. P. was liefhebber van de boeken van Maarten 't Hart en Maarten Biesheuvel en deelde die eigenaardige atheïstische liefde voor Bachcantates met Maarten 't Hart. Bachcantates zijn sinds die tijd een onmisbare muzikale troost in mijn leven. P. leerde mij op een nuchtere manier naar muziek luisteren. Hij haalde de romantische was uit mijn oren. We deelden onze liefde voor de literatuur van Jeroen Brouwers en overwogen hem eens een slagroomtaart te bezorgen. P. zorgde ervoor dat mijn studie niet in een vroeg stadium een mislukking werd. P. appeleerde aan die andere kant van mij: een calvinistisch besef van verantwoordelijkheid (en schuldgevoel). Het leven is niet alleen maar feest vieren en vrijblijvend mediteren, er moet ook gestudeerd en gewerkt worden. P. woonde in een appartementje in Zeist en we zagen elkaar bijna wekelijks op maandagavond.

Nee, ondanks de verwarrende zomer begon ik vol goede moed aan mijn tweede studiejaar. Weliswaar had ik mijn eerste jaar nog niet helemaal afgerond, het zou allemaal in orde komen. In mijn dagboek beschrijf ik mezelf zo nu en dan met zelfspot: Natuurlijk bruis ik van de motivatie en energie (8 september 1987), Een hele positieve dag. Vanochtend heb ik mezelf heel gedisciplneerd het bed uitgeramd. In stilte ontbeten en gelezen totdat ik de trein moest halen. Vuilniszak aan de weg gezet, blikjes en glas in de daartoe bestemde bakken, zodat ik aan mijn plicht als milieubewust burger heb voldaan, ben ik welgestemd om 11 uur het tuinhuis van het instituut binnengewandeld om weer 1½ uur solfège ingepeperd te krijgen (21 september 1987) enzovoort.

Ik voelde de noodzaak om meer onder de mensen te zijn, meer activiteiten te ontplooien en daarom ging ik naar een informatieavond van het Evangelische Universiteits Gemeente (het EUG; tegenwoordig heet het Oekumenische Studentengemeente Utrecht, wat de lading beter dekt). Ik hoopte daar iets van Taizé te vinden en er nieuwe contacten buiten mijn studie te leggen. Twee activiteiten trokken mijn aandacht: lessen in 'stil zitten' (meditatie) en een gespreksgroep antroposofie. Ik koos voor het laatste omdat ik behoefte had aan praten. Dat najaar bezocht ik geregeld bijeenkomsten waar een antroposoof vertelde hoe hij zijn overtuiging vorm gaf in zijn vakgebied. Met name de architect, een arts en een verhalenverteller zijn mij bijgebleven. Maar contacten maakte ik er niet. Ik voelde me er niet thuis en betrapte me steeds vaker op de gedachte 'wat een onzin allemaal'. Bovendien kon ik ook niet blijven hangen, omdat ik altijd weer op tijd het openbaar vervoer naar mijn studentenkamer moest halen.

Maar het ging niet goed. De alleenzaamheid van mijn studentenkamer begon steeds vaker eenzaamheid te worden. Ondanks al mijn goede voornemens en ondanks al mijn pogingen gedisciplineerd te studeren, deed ik steeds minder. Het was nog niet problematisch, maar de trend naar een mislukking begon zich langzaam maar zeker af te tekenen. Wanneer ik 's avonds in de prachtige stilte van mijn kamer mijn dagboek schreef, werd de stilte steeds vaker een neerslachtige stilte: de stilte van een onbeantwoorde brief.