Bosch en Duin 1986-1989 II (4)

De eerste tijd nadat ik de brief aan H. gepost had, voelde ik elke keer wanneer de telefoon ging of als ik de oprijlaan afliep naar de brievenbus aan de weg een verwachtingsvolle spanning. Maar er kwam geen antwoord. Ook rond mijn verjaardag in oktober bleef het stil. Langzaam maar zeker begon ik me te realiseren dat mijn brief wel eens het einde van een vriendschap kon betekenen. Was ik nu te ver gegaan of had ik haar alleen maar in verlegenheid gebracht? Of had ik het helemaal verkeerd aangepakt? Had er iets in de brief gestaan wat ik beter niet had kunnen schrijven?

Wat had ik geschreven? Ik heb geen kopie van de brief en ik kan het me eenvoudigweg niet meer herinneren. Ik zal haar geschreven hebben, dat ik verliefd op haar was geraakt, maar omdat ik wist dat ze op dat moment een relatie had, zal ik geprobeerd hebben haar gevoelens te sparen en daarmee mjin eigen gevoelens onrecht gedaan hebben.

Mijn dagboek geeft evenmin uitkomst over de inhoud van de brief. Alleen een losse opmerking op 8 september 1987: Vanochtend las ik in Anna Karenina een passage (deel 8, hst 12) die dicht bij mijn ideeën staat. Mijn brief aan H. zou je er zo naast kunnen leggen. Sinds ik deze passage teruglas, heb ik dat hoofdstuk meerdere malen gelezen. Ik begrijp de relatie met de brief niet. Wel vermoed ik, dat als het om mijn toenmalige ideeën ging, het voornamelijk om het volgende fragment moet zijn gegaan:

En ik en millioenen mensen, die eeuwen geleden leefden en die nu leven, boeren, armen van geest en wijzen, mensen die hierover gedacht en geschreven hebben, die in hun onduidelijke taal hetzelfde hebben gezegd – wij allen zijn het over dit ene eens: waarvoor wij leven moeten en wat goed is. Ik en alle mensen hebben slechts één ding, dat wij zeker, ontwijfelbaar, absoluut weten en dit weten kan niet door het verstand worden verklaard: het staat daarbuiten, het heeft geen oorzaak en kan geen gevolg hebben.

Als het goede een oorzaak heeft, is het niet goed meer. Als het een gevolg heeft, een beloning, is het ook niet goed meer. Dus, het goede staat buiten de keten van oorzaak en gevolg.

En dit goede ken ik, wij kennen het allen.

L.N. Tolstoj Anna Karenina, 914-915

In die tijd was ik er heilig van overtuigd dat alle levende wezens (maar uiteindelijk ook voorwerpen) een goddelijke kern hebben. Door God geschapen moesten we wel iets van hem meegekregen hebben. Het was die goddelijke kern die al het leven met elkaar verbond en het was de kunst om die kern in de mensen te blijven zien, ondanks alle maskers die mensen opzetten. Als je die goddelijke kern in iemand herkent, voel je liefde. Ik vond, dat alle godsdiensten, alle filosofieën, alle kunst, daarom draaide. Of je het nu God, Allah, Boeddha, Tao of Ding an sich noemde, het kwam op hetzelfde neer. Iedereen was met elkaar verbonden en in hoger zin dus broer en zus van elkaar, of vader en moeder. Al het leven bevatte een hogere eenheid achter de verscheidendheid. Als ik een ander iets aandeeed, deed ik eigenlijk ook mijzelf iets aan, hetgeen meteen een basis gaf aan mijn pacifisme. Of Tolstoj dat nu zo bedoelde, dat weet ik niet, maar ik zal het ongetwijfeld zo geïnterpreteerd hebben, zoals ik toen alles naar deze redenering toe interpreteerde. Zo vond ik overal bevestiging. Wellicht heb ik mijn liefdesverklaring aan H. ingebed in deze levensvisie.

Het verlangen naar iemand die voor mij niet bereikbaar was, begon zijn sporen na te laten in mijn gemoed. Het zou te gemakkelijk zijn om te zeggen dat ik in twee werelden leefde. De wereld van de dagelijkse verplichtingen en het sociale leven met mijn vrienden en daartegenover de binnenwereld van mijn studiekamer, mijn Bosch en Duin, de wereld van studeren, lezen, mijmeren, alleen zijn. In werkelijkheid liepen die werelden doorelkaar. In het dagelijkse leven begon een achtergrondruis van zwaarmoedigheid te klinken die steeds sterker en bepalender werd. Aanvankelijk was er alleen de onrust: was ik in de wereld dan wilde ik vluchten naar mijn studiekamer, was ik enige tijd alleen op mijn kamer dan verlangde ik weer mijn vrienden en activiteiten in de wereld. Het verlangen naar H., werd steeds meer een louter verlangen. Ik vergat haar niet, maar ze werd meer een gevoel van afwezigheid, het werd minder op de persoon gericht. Op 15 november 1987 noteer ik (met de nodige spelfouten): Ik bemerkte inees, dat ik die dag niet eens met mijn gedachten bij H. was gewees. Ergo, ik bemerk dat ik afstand van haar begin te nemen. Het is tekenend dat ik het nodig vond om dit te signaleren.

Ik was gehecht geraakt aan mijn kamer in Bosch en Duin. Het voelde veilig en vertrouwd. De stilte was me lief en in die stilte kon ik lezen (ik las veel Jeroen Brouwers in dat najaar), brieven schrijven, studeren, componeren en improviseren op piano – de fijnbesnaarde vriend die altijd naar mij luistert. Door mijn goede vriend P. begon ik te beseffen, dat het niet goed voor me was om daar te blijven. Half november besluit ik me in te schrijven bij de SSH, toen nog Stichting Sociale Huisvesting. Ze waren echter gesloten en het zou een hele tijd duren, voordat ik opnieuw een poging zou wagen.

Was ik lid geworden van het EUG, vriend P. zocht zijn sociale contacten bij het Utrechts Koor en Orkest, het USKO. Hij nodigde me uit om naar zijn eerste koncert bij het USKO te komen. Op 17 december 1987 zit ik in de Janskerk te luisteren naar de Nicolascantate van Benjamin Britten, een componist waarvoor ik steeds meer bewondering kreeg. Het USKO zou nog een belangrijke rol in mijn leven gaan spelen.

Een dag na het koncert vertrek ik naar mijn ouders in Friesland om daar Kerst te vieren. Aan de verjaardag van H. half december heb ik geen aandacht besteed. Naast mijn studiemateriaal heb ik het eerste deel van Kroniek van een karakter van Jeroen Brouwers in mijn tas. Met mijn zus en zwager ga ik naar een klaverjastoernooitje. Vriend R. komt langs en er is een reünie van de groep waarmee ik die zomer naar Taizé ben geweest. Tijdens de reünie ontmoet ik weer A. Ze maakt indruk op me en ik neem me voor haar eens te schrijven. Ze lijkt in niets op H. en ik voel ook geen bevlogen verliefdheid, maar ze intrigeert mij. Het zal op niets uitlopen, want voordat ik die brief ga schrijven wacht me nog eerst een grote verrassing.