Bosch en Duin 1986-1989 II (5)

Bij de speeltafel van het kerkorgel waarop ik in mijn middelbare schooltijd mocht oefenen, lag altijd een gewichtje. Het paste precies op een toets van het manuaal. Soms legde ik het gewicht op een lage toon en improviseerde dan in de hogere registers. Zo klonk die lage toon dan als een soort orgelpunt. Ik heb mijn leraar eens gevraagd waar dat gewichtje toch voor diende. Hij legde mij uit dat het gebruikt werd door de stemmer: met dat gewichtje kon de stemmer een toon laten klinken terwijl hij in de kast bezig was.

Dinsdagavond, 22 december 1987 (begin van de winter, de donkerste dag is geweest) kom ik 's avond terug bij mijn ouders. Er ligt een brief op mij te wachten, ik herken het handschrift ogenblikkelijk, al is het enigszins anders dan ik gewend ben. Een ijzige verrassing noem ik het in mijn dagboek.

De envelop met brief ligt hier voor mij. Het handschrift is schoonschrift. De poststempel is niet over de postzegel heen gegaan en is gedateerd 18.XII.87 en uitgebreid met 'Prettige feestdagen' en twee kerstklokjes. De brief zelf bestaat uit ruim 3 kantjes van een schrijfblok. Haarlem, 30-11-87 staat er boven. Uit alles blijkt dat er veel zorg aan de brief besteed is. Er was de schrijfster veel aan gelegen om de juiste woorden te vinden. Het is een prachtige brief, dat zie ik nu bijna twintig jaar later wél. De hemel zei dank, dat er toen nog geen e-mail was!

Je verdient een weloverwogen, eerlijk antwoord, schrijft ze en dat is gelukt. Nadat ze mijn brief had ontvangen was haar relatie op de klippen gelopen. Eén en ander was op een tamelijk lullige manier gegaan en voor haar hoefde toen het 'liefdesleven' eventjes niet meer. Dan probeert ze een antwoord te geven op mijn brief. Ze ontkent niet dat ze in zekere zin, door duistere banden tot me aangetrokken voelde en in Taizé kwam ik angstig dichtbij. Maar ze durfde het niet aan, ze was niet zeker van haar gevoelens. Ik zou dan een soort surrogaat geweest zijn, een tijdelijke leverancier van dingen waar ik behoefte aan had: warmte, speciale aandacht, het idee dat je voor iemand belangrijk bent. Ze zag in dat een relatie tussen ons niet een eerlijke relatie geworden zou zijn. Hoewel ik niet onmisbaar voor haar ben, ben ik ook niet onbelangrijk of betekenisloos voor haar. Als ik me ervoor openstel, breng jij, met je gefilosofeer, me soms op heel goede ideeën. Soms gaan er onverwachte deuren voor me open. (...) Ik ken niemand die zo 'bezeten' is van muziek, en er tegelijk met zoveel humor tegenaan kijkt. (...) Jij voorkomt misschien dat ik al te nuchter en praktisch word, dat ik af en toe eens stilsta bij het ogenschijnlijk vanzelfsprekende. Mijn brieven aan jou hebben over het algemeen geen vooropgezet doel, behalve deze dan en de allereerste, die als tegenwicht diende / moest dienen voor iets teveel zwaarmoedigheid (...) en ik hoop ook dat je blijft schrijven.

Iets teveel zwaarmoedigheid? Hopen dat ik blijf schrijven? Nadat ik de brief tweemaal had gelezen, de boodschap tot me door had laten dringen, heb ik die brief nooit meer willen lezen. Alhoewel de afwijzing geen echte verrassing was, kwam deze, ondanks de mooie woorden, hard aan. In mijn dagboek kan ik er niet over schrijven.

Onder het mom dat ik nog veel aan mijn studie moest doen, was ik vlak voor de jaarwisseling weer naar Bosch en Duin gegaan. Een week nadat ik de brief gekregen had, schrijf ik weer in mijn dagboek: Weer thuis en weer eenzaam. (...) ik kan weer aan H. schrijven. (29 december 1987) Vannacht tijdens de jaarwisseling ben ik met een brief aan haar begonnen, met een fles wodka op tafel en "Senza Parole" aan. De brief was te emotioneel, te eenzaam, zodat ik hem vanochtend maar weggegooid heb. Om de sfeer hier kracht bij te zetten heb ik zeurende verkoudheid (...) (1 januari 1988) Ik vlucht in de brieven van Jeroen Brouwers, deel twee van Kroniek van een karakter had ik ondertussen ook al aangeschaft. Een paar dagen later lees ik een wel zeer eenzaam boek van Brouwers, De Exelse testamenten. Symbolisch genoeg eindigt daar de eerste band van mijn dagboek.

Er had zich iets vastgezet in mijn hoofd, alsof er een zwaar gewicht op mijn gedachten was gelegd. Een donkere toon van zwaarmoedigheid zou vanaf die kerst en jaarwisseling als een orgelpunt door mijn leven blijven klinken. Ik kon genieten van het leven, vrolijk zijn, lol hebben, soms de hypochondrie overstemmend, maar altijd bleef die donkere toon klinken. Ik raakte ook gehecht aan die aanwezigheid, het werd vertrouwd en langzamerhand begon ik het zelfs op te zoeken en te koesteren. De schoonheid van de melancholie, nietwaar? Het zou nog jaren duren voordat iemand dat gewicht heeft kunnen verwijderen, zodat die toon een fantoom werd. En zelfs nu nog, in tijden dat het tegenzit, meen ik die toon nog te kunnen horen. Gelukkig heb ik geleerd er op te improviseren.

Toen zwegen zij en staarden naar elkaar alsof beiden voelden dat er iets waars en ernstigs gezegd was. Maar hij verwierp het en zei nooit ongelukkig te zullen zijn als hij haar nu en dan eens zien mocht. Al het mooie zou blijven en het zou alles alleen mooi zijn, beloofde hij. Dus spraken zij af voor den ochtend van overmorgen.

Frederik van Eeden Van de koele meren des doods, 88