Bosch en Duin 1986-1989 II (6)

Het wordt tijd om te vertellen over E.. E. is al eens langs gekomen in een eerder bericht. Van hem bewaar ik een uitgebreide correspondentie, hij was geen vriend in de directe omgeving. Ik probeerde hem vaak op te zoeken in Leeuwarden wanneer ik in Friesland was.

E. was een jongen van emotionele uitersten. In mijn nabijheid was hij altijd vrolijk, vol energie en spontaan. In zijn brieven kon hij ook somber, grimmig en soms vreselijk wanhopig zijn. Ik deelde zijn anarchisme, zijn lak aan conventies, zijn non-conformisme. Daarbij moest ik als we samen waren, vaak op de rem trappen, omdat we anders ongewild in de problemen kwamen. E. had iets kinderlijks dat mij aantrok, maar dat mij ook volkomen kon afstoten. We deelden in die tijd onze opvattingen over esthetiek, soms onuitgesproken, al was hij een man van het oog en ik een man van het oor. Zijn grote hobby was fotografie en ik bewaar nog enkele eigenaardige foto's van hem uit de tijd dat we in Luxemburg waren.

Het is zeer goed mogelijk dat E. het was die mij overtuigde om H. in september 1987 een brief te schrijven. In een brief van 30 augustus 1987 stelt hij onomwonden dat ik de keuze heb: niks zeggen en wel iets zeggen, waarbij hij duidelijk aangeeft dat de laatste keuze hem het verstandigste lijkt.

Begin 1988 wordt onze correspondentie frequenter. Het aardige is dat hij zodanig op mijn schrijven ingaat, dat ik daaruit enigszins kan opmaken wat ik zelf geschreven moet hebben. Zo citeert hij mij op oudejaarsavond: "ik krijg geen zinnig woord op papier" om er aan toe te voegen: daar heb je groot gelijk in en ik weet niet waarom mij dat zo mateloos boeit. In eerdergenoemde brief van 30 augustus typeert hij: goed, toegegeven, jij komt graag na vaak zeer lange inleidingen tot de kern en hoe belangrijker die kern hoe langer de inleiding. juist dat raadselachtige voorspelbare trekt mij aan. Dit is mij vaker gezegd en geschreven.

Ondertussen zitten we in een spiegelbeeldige situatie. Waar mijn liefde onbeantwoord blijft, daar zit hij met het probleem dat hij intens houdt van zijn vriendin, maar niet met haar kan samenleven: hij wil juist een einde maken aan de relatie. E. wijst me op mijn verantwoordelijkheden. Ik had mijn brief aan hem schijnbaar met een Wagner-citaat afgesloten, wer bietet mich das schwert mit dem ich die bande zerschnitt (E. gebruikte bijna geen hoofdletters), om fijntjes te vervolgen dat ik het zelf in de hand heb. Ga naar haar toe, praat erover, neem het risico. Hij heeft groot gelijk, maar ik doe het niet.

Op 13 februari 1987 bezoek ik hem op het Zwitserswaltje in Leeuwarden. Ondertussen heeft zijn vriendin de knoop doorgehakt en is E. tegen wil en dank weer vrij man. We eten in eetcafé Het Leven en daar rook ik mijn eerste sigaartje. Eraan vast zat café Silberman, waar we veel hebben gedronken en gepraat. Ik weet niet hoe het er tegenwoordig uitziet, maar toen was het een links café. Je kreeg er de indruk te verkeren tussen allerlei linkse, werkeloze dertigers die natuurlijk veel rookten en zopen, het ingekankerd cynisme hing daar in de lucht. Dat beviel me uitstekend.