Bosch en Duin 1986-1989 II (7)

Toen zij het podium opliep realiseerde ik het me plotseling. Natuurlijk, voor wie verliefd is lijkt alles op de wereld te wijzen naar die ene persoon. Maar dit was bijna shockerend: haar postuur, haar bewegingen, haar donkere lange haar, haar stralende veelbewogen blik die de zaal inkeek ... alsof het een oudere zus van H. was.

Al jaren was ik fan van Martha Argerich en toen zich een gelegenheid aandiende om haar eens te zien spelen, greep ik die gelegenheid met beide handen aan. Samen met de violist Gidon Kremer gaf ze een koncert in het Circustheater in Scheveningen en aangezien D. daar om de hoek woonde, was het snel geregeld. In januari 1988 zag ik haar dan voor het eerst in levende lijve, de vrouw waar ik puberaal verliefd op was geweest. Hadden de muziekbladen vol gestaan met foto's en posters van haar als was ze een popzangeres, mijn kamer in het ouderlijk huis had dan volgehangen met haar afbeeldingen. Was het mogelijk dat, toen ik H. voor het eerst zag in Taizé, er onbewust een associatie naar de verschijning van Argerich was gemaakt? Toen P. eens tegen mij zei: laat H. geen Martha voor jou worden, dacht ik stomverbaasd dat hij de band ook had gezien, maar hij bedoelde toen de Martha uit Een vlucht regenwulpen van Maarten 't Hart.

Half januari 1988 vond ik een briefje in mijn postvakje van een docent. Dat ik niet meer bij zijn lessen Contrapunt hoefde te verschijnen, ik was niet meer welkom. Ik was perplex. Ik had een stevige conflict gehad met meneer Rasch, omdat hij me en plein public had geschoffeerd. Dat deed hij ook met andere studenten, maar ik had het niet gepikt. Met beheerste woede had ik hem verzocht om mij en de andere studenten normaal en met respect te behandelen. Waar ik het lef vandaan haalde om me met zijn wijze van lesgeven te bemoeien. Nu had hij de gelegenheid aangegrepen om me uit zijn groep te schoppen toen ik één dag te laat de eindopdracht had ingeleverd. Toen ik enkele weken later tegen een medestudent had gezegd marsch, marsch, daar komt meneer Rasch terwijl hij op gehoorsafstand was, kon ik een diplomatieke oplossing natuurlijk wel vergeten.

Het incident was tekenend voor mijn onvrede met mijn studie. In de eenzaamheid van mijn studentenkamer viel me het steeds zwaarder mezelf aan te zetten tot gedisciplineerd studeren. Als ik dan toch braaf de hoofstukken uit de boeken en readers gelezen had, dan was ik tijdens het college teleurgesteld wanneer alleen maar herhaald werd en niet verdiept. Op de tentamens werd kennis getoetst, geen inzicht of begrip. Zo werd studeren stampwerk en ik verzette me daar tegen. De hoogste cijfers haalde ik voor examens waar nu eens wel naar inzicht gevraagd werd door middel van open vragen.

Ik stoorde me ook aan mijn medestudenten die het zich allemaal maar lieten aanleunen. Ze deden braaf wat hen gevraagd werd en ik moest niet zo zeuren. Ik kon niet omgaan met deze rol van student als volgzame arbeider in een leerfabriek. Belangstelling en begeleiding kwam er niet vanuit de docenten, terwijl de faculteit klein was, iedereen kende elkaar. Ik voelde me aan mijn lot overgelaten en in plaats van hulp te zoeken bij een studiebegeleider ging ik trots mijn eigen hopeloze weg. Mijn studietijd ging steeds meer op aan het lezen van boeken, het beluisteren van muzieken, het bezoeken van koncerten en films, het onderhouden van sociale contacten. Ik heb meer geleerd van alles wat ik in die tijd buiten mijn studie deed. Ik was op de vlucht voor mijn studie en voor mijn gevoelens voor H..

Fragment. 10 februari 1988. Ik was, zoals ik in die tijd wel vaker deed, in m'n eentje gaan eten in de mensa van studentenvereniging Veritas. Ik zocht een rustig plekje aan een lege tafel. Ik zat nog niet of er kwam een meisje tegenover me zitten. Ze zocht contact met mensen en aangezien ik daar alleen zat hoopte ze, dat ik het niet vervelend vond als ze mij gezelschap kwam houden. In mijn dagboek doe ik er heel laconiek over. We spraken wat over onze studies en voornamelijk over muziek. Toen we klaar waren met eten gingen we uiteen, ze had het heel gezellig gevonden. Maar in mijn herinnering was het veel heftiger. Het is één van de vele gevallen waarvan ik in mijn dagboek uit de tijd niet het beeld terugvind, dat ik wel in mijn herinnering van die gebeurtenis heb. De reden daarvoor wist ik toen al, maar ik wilde het niet onder ogen zien. Zij confronteerde me ongewild met mijn eenzaamheid, juist door mijn gezelschap te zoeken. Ik wilde haar eenzaamheid niet, omdat ik mijn eigen eenzaamheid niet wilde.

Op 2 maart schreef ik me in op een wachtlijst voor een kamer in Zeist. Wachttijd ongeveer 12 maanden. Ik moet begrepen hebben dat mijn eenzaamheid in Bosch en Duin me uiteindelijk niet goed deed en dat ik meer onder de mensen zou moeten zijn. P. had daar een appartement, hij was daar gebleven toen zijn vriendin bij hem weggegaan was. Ik schreef me in voor een wooneenheid: met negen andere studenten aan een gang wonen en voorzieningen delen. Ik moest weg uit Bosch en Duin.