Bosch en Duin 1986-1989 II (8)

De vergeten, donkere jaren noemde ik ze, mijn jaren in Bosch en Duin. Waarom vergat ik ze zo gemakkelijk? Was het de confrontatie met de onmacht mijn leven naar mijn hand te zetten? Was het de gêne voor mijn gedweep met new age? Of was het de eenzaamheid, die ik altijd willens en wetens alleenzaamheid noemde? Dat ik eenzaam was, zie ik pas achteraf, toen ervaarde ik het niet zo. Beter: ik wilde het niet zo ervaren. Het was een desillusie. Toen ik er ging wonen, beleefde ik nog de romantiek van de kluizenaar, van het idee te leven als monnik die muziekwetenschappen studeerde. Na elk bezoek aan de grote boze buitenwereld kon ik me terugtrekken om me te wijden aan mijn studie.

Nee, ik vond er geen rust, geen contemplatie, geen hogere inzichten. Esoterische waarheden bestonden alleen maar in boeken. Ik werd heen en weer geslingerd door het verlangen naar gezelschap en in gezelschap het verlangen naar mijn alleenzaamheid. De desillusie sloeg barsten in mijn wereldbeeld, mijn geloof in een buitenzintuigelijke ware wereld stond op het spel. Ik wist te mediteren, mijn gedachten te laten gaan, wierookstokjes brandend, munten gooiend met de I Tsjing in de hand, astrologische analyses lezend enzovoort enzovoort, maar het veranderde niets. Alles wat ik daarmee ervaarde was geconstrueerde ervaring: ik ervaarde slechts wat ik wilde ervaren. Het was mijn eigen fantasie, mijn eigen wil dat het waar zou zijn, maar als ik echt eerlijk was tegen mezelf dan kon ik slechts tot één conclusie komen: wat een baarlijke nonsens allemaal. Niet dat ik dat ineens erkende, maar de twijfel was naar binnen geslopen en begonnen zijn ondermijnende werk te verrichten.

Ik zocht mijn Thuis, maar vond steeds mijn Kuil.

Soms stond ik vroeg op. Wanneer ik dan de stoffige zware groene gordijnen opzij schoof, was er geen applaus, maar het bos. Dan scheen de zon nog net door de bomen mijn kamer in (ik heb altijd vensters op het noorden gehad). De koelte en dauw van de ochtend liet ik binnenkomen door het raam iets open te schuiven. Zomers het getsjilp van de vogels in het nest achter het luik en heel soms klauterende eekhoorntjes in de dichtstbijzijnde boom.

Mijn kamer was ordelijk, alles had een vaste plek. Wel veranderde ik voortdurend de inrichting, zoals ik geregeld de lay-out van mijn weblog verander. Geen bloemen, planten of huisdieren, die namen maar onnodig plek in. Maar er was altijd het bed, de rokersstoel, het koelkastje met daarbovenop een elektrisch kookstel, het grote massieve bureau, de piano, de boekenkasten en het kastje met de stereo en de lp's (en later cd's). Het was ruim, het straalde rust uit, het stof kon er neerdalen.

Veel ben ik vergeten, maar wanneer ik mijn ogen sluit kan ik de kamer met die overweldigende stilte weer bovenhalen. Kijk, daar ik zit in mijn stoel te lezen in Doktor Faustus van Thomas Mann. Of kijk, daar zit ik achter het bureau de compositie voor H. in het net over te schrijven. Luister, ik heb de lampen uitgedaan en in de schemer laat ik de pianosonates van Beethoven klinken.

Op 8 maart 1988 stak ik daar mijn eerste sigaret op. In mijn ouderlijk huis werd altijd gerookt door mijn vader, broer en zus. P. rookte ook. Waarom ben ik eraan begonnen? Mijn vader probeerde weer te stoppen met alle gevolgen van dien voor zijn humeur en gedrag. Ik wilde wel eens weten hoe moeilijk dat stoppen nou eigenlijk zou zijn. Daar ben ik achter gekomen, de sigaret werd algauw een subliem troostmiddel. En, het paste bij mij. Het ritueel van het roken: pakje shag, vloeitje, peuk draaien, aansteken, ik had het heel snel onder de knie. Het was heerlijk om tijdens het studeren, het lezen of het schrijven even mijn concentratie te verplaatsen om met het ritueel van het roken te contempleren op wat ik aan het doen was.

Ik verzorgde me slecht in die tijd. Meestal at ik maar twee maaltijden per dag, toen was ik nog mager. Douchen en scheren sloeg ik het liefste over. Om kleding gaf ik niet, laat staan om zoiets belachelijks als mode. Ik zal er niet bepaald aantrekkelijk uitgezien hebben in die tijd en het roken zal het niet verbeterd hebben. De vriendinnen van H. bestempelden mij als het kunstenaarstype, maar in werkelijkheid was ik een onopvallende grijze muis. Niet bepaald iemand die interessant is om nou eens een praatje mee te maken of om mee gezien te worden. P. zei een keer, dat het moeilijk was in die tijd om tot mij door te dringen (je bent als een ballon die telkens weer wegglipt als je hem probeert te grijpen), ik was moeilijk benaderbaar. Ik beperkte me tot een groep vrienden en bekenden en ik ergerde me aan de domheid van de rest van de wereld. Waarom wilden mensen niet zien? Waarom wilden mensen niet luisteren?

Oppervlakkig beschouwd werd ik een misantroop die met rust gelaten wilde worden. Wie beter keek wist, dat het onmacht was om te functioneren in een wereld die ik niet begreep. Kijk, daar sta ik voor het raam en ik kijk naar buiten of de postbode al komt met een brief voor mij.