Daar zat hij dan, aan de andere kant van het spoor, een oude man nu. Bijna onbeweeglijk, handen in zijn schoot, vermoeid rondkijkend vanonder zijn pet. Geen bagage. Hij wachtte. Maar waarop, vroeg ik mij af. De trein stond iets terug op het spoor al klaar voor vertrek. Zou hij wel herkennen datgene waarop hij wacht? Ik kreeg de indruk dat hij daar altijd wel zou blijven, dat ik hem morgen op dezelfde plek weer zou ontmoeten. Toen ik mijn trein het station zag binnenrijden, kruisten onze blikken.

Vanaf mijn zitplaats kon ik hem nog steeds zien. Meneer Beckett wacht op Godot, schoot mij zomaar binnen. Toen de trein zich in beweging zette, reisde hij met mij mee.