Bosch en Duin 1986-1989 II (9)

Het leek wel alsof iedereen ineens relatieproblemen had. Ik probeerde een vriend te zijn, maar hoe kon ik anderen tot steun zijn, terwijl ik zelf zo onervaren was? Arme P., op zijn verjaardag waren alleen zijn ex en ik aanwezig, de andere genodigden konden niet. Ja, hij onderhield contact met zijn ex, ze was zo depressief en aangezien ze al eens eerder zelfmoordpogingen had gedaan, maakte P. zich zeer bezorgd. Feestelijk wilde de verjaardag niet worden.

Van E. ontving ik wanhopige brieven. Ook zijn relatie was beëndigd. Zijn geschreven somberheid stond in schril contrast met zijn vrolijkheid bij mijn bezoekjes aan hem in Leeuwarden. Daarbij verbaasde ik me altijd over zijn vlotte manier van sociale contacten leggen, E. had charme. Echter, zijn onvermogen om alleen te zijn, maakte hem diep ongelukkig en in zijn eenzaamheid gooide hij alle ellende op papier en stuurde het naar mij.

Terwijl ik op 29 februari 1988 ironisch in mijn dagboek noteerde: (...) luisterend naar het Requiem van Johannes Ockeghem: goed voor je bloeddruk ... – probeerde H. een brief aan mij af te maken. Een paar dagen later vond ik het in de brievenbus. Zes kantjes over koetjes en kalfjes, geen woord over de gebeurtenissen in het voorgaande najaar. De brief gaat voornamelijk over haar verhuizing van haar ouderlijk huis naar haar eerste kamer in de Vogelenzangstraat in Amsterdam. Kom vooral eens langs.

Natuurlijk wilde ik meteen een brief terugschrijven, maar ik dwong mezelf te wachten. Dat lukte een paar weken en ik was stomverbaasd dat op mijn brief nagenoeg per kerende post werd gereageerd. Ze had met twee vriendinnen geen gelukkige hand gehad in hun keuze van onderdak: hun huurbaas was niet betrouwbaar gebleken. Wanneer ik haar op dat adres nog wilde bezoeken, dan moest ik wel snel zijn. Daarbij twee gedichten van Christina Rossetti en een uitgeknipt krantenartikel met een column van Boudewijn Büch: De erotiek van een triljard kussen.

Ik begreep er weinig van. Terwijl ik een houding probeerde te vinden in deze vriendschap, waarbij ik haar niet tot last wilde zijn met mijn gevoelens, stortte zij zich er met overweldigende energie en vrolijkheid in. Ik moet nog glimlachen als ik haar avonturen lees. Een ongecompliceerde oase in de woestijn was zij voor mij in die tijd. Ze was iemand bij wie ik me welkom kon voelen, bij wie ik kon zijn zoals ik was. Dat was meteen ook het probleem.

Het was een stralende dag, bijna onbewolkt. Het bezoek aan H. op 12 april 1988 heb ik zeer gedetailleerd in mijn dagboek beschreven, alsof er niets in mijn herinnering verloren mocht gaan. Het was een eigenaardig bezoek, ik leerde die dag een andere H. kennen. Die dag was zij een jonge vrouw die net een paar maanden samen met vriendinnen een etage huurde en genoot van haar vrijheid. Er begonnen stiltes te vallen die niet meer louter stilte waren.

We liepen naar het Vondelpark en ik vertel over het idee, dat alle materie beweegt en geluid maakt volgens harmonische principes. Zij heeft wel eens horen beweren, dat wij zelf de wereld creeëren. We aten een ijsje, ik rookte een sigaretje, we luisterden naar de bongospelers en hadden plezier om de joggers. Terug in de Vogelenzangstraat aten we samen met de huisgenoten. Ik werd steeds zwijgzamer. De wereld van de vriendinnen was voor mij vreemd en ik voelde me ongemakkelijk. Ik probeerde me te redden met mijn humor ("wil je ook een appel?" "Nee, laten we dat maar niet doen, dat is al eens eerder fout gegaan"), maar uiteindelijk leerde ik een kant kennen van H. die nieuw voor me was. Huisgenote L. zou binnenkort een feestje geven en één jongen zou wat H. betreft ook uitgenodigt moeten worden, zij vindt hem, geloof ik, wel heel erg leuk. L. belt hem onder beminnelijk verzet van H. op. H. neemt gauw de hoorn over. Hij kan niet en hoe wrang, dan krijg ik de uitnodiging toegeworpen. Om elf uur vertrek ik.

Die uitnodiging zit tussen de brieven. Ik ben natuurlijk niet gegaan. Het was het eerste incident waaruit ik kon opmaken dat H. een zeer tactloze kant had. Tegelijkertijd werd ik geconfronteerd met het gegeven dat H. ondanks mijn gevoelens natuurlijk haar eigen leven leidde en op zoek was naar een vaste relatie. Daar kwam ik niet voor in aanmerking.

Dit bezoek woekerde weer weken in mij voort, maar opnieuw dwong ik mijzelf afstand te bewaren en niet al te snel te schrijven. Er zijn zoveel ongeschreven en onverstuurde brieven, mijn onderbewustzijn zal wel een heel archief hebben gemaakt (dagboek, 25 april 1988). Ondanks alles besloot ik toch weer een week van de zomervakantie door te brengen op de plek te gaan waar het allemaal begonnen was, ik schreef me weer in voor een reis naar Taizé.

Op 29 april ging ik voor het eerst met P. mee naar een repetitie van de Stichting Utrechts Bachcantatediensten. Het was een succes, na het weekend noteerde ik: Een harmonieuze dag na een fijn weekend. Alles is even mooi. Het deelnemen aan het instuderen en uitvoeren van Kantate 12 van J.S. Bach was een belevenis die mij veel voldoening heeft gegeven. Zingen werkt bevrijdend (...). Vooral het korte recitatief Wir müssen durch viel Trübsal in das Reich Gottes eingehen werd een veel geciteerd fragment door mij.

Begin mei werd mijn moeder voor de eerste maal opgenomen in het ziekenhuis met hartklachten. Ik reisde in deze tijd vaker op en neer naar Friesland. Alhoewel ze niet in levensgevaar was, gaf het toch weer extra zorg. Ondertussen schreef ik me opnieuw in voor een tentamen voor een niet-musicologisch vak, het laatste tentamen dat ik nog voor het einde van het collegejaar moest halen om mijn propedeutisch examen te halen. De tijd begon te dringen. Haalde ik het vak niet, dan mocht ik formeel niet verder.

Exact een maand na mijn bezoek aan haar, schreef ik H. weer. Het is een korte brief geworden en ditmaal in één avond geschreven. Eigenlijk kan ik haar maar één ding schrijven: dat ik van haar hou. Verder wat vertelt over mijn componeren en mijn ergernis over de oppervlakkigheid van mensen.. (dagboek 12 mei 1988)

Drie dagen later schreef ik nog een brief, aan E.. Het ging absoluut niet goed met hem, de toon in zijn brieven werd steeds wanhopiger. Vanmiddag een brief aan E. afgeleverd, een van de beste brieven die ik ooit geschreven zal hebben. En dat was ook wel nodig, want E. zat diep in de put, getuige een brief die ik gisteren van hem heb mogen ontvangen. (dagboek 15 mei 1988) Een week later bezocht ik hem en we brengen een zonnige middag door in de Prinsentuin. E. was afstandelijk en ik begreep het niet. Misschien pas ik wel nergens bij. Misschien overvalt mijn openheid en vertrouwen de mensen die ik als mijn zeer goede vrienden beschouw. (dagboek 25 mei 1988) Mijn twijfel aan E. was onterecht, zo zou heel gauw blijken.