Bosch en Duin 1986-1989 II (11)

Componeren kreeg door mijn studie een extra betekenis. Door zelf te componeren kon ik enigszins ervaren hoe het is om muziek te schrijven. Waarom die noot en niet een andere? Wat is op deze plek de juiste noot? Wat wil ik de luisteraar aandoen? Hoe structureer je een compositie en waarom juist op die wijze?

Op 20 juni 1988 kon ik dan ook ervaren wat het is om een compositie van jezelf in première te horen gaan. Weliswaar niet in een koncertzaal, maar in een ontruimde collegezaal van het Instituut voor Muziekwetenschappen. Ik gooide mezelf voor de leeuwen, het publiek bestond louter uit studenten musicologie, waarvan sommigen ook een opleiding aan het conservatorium volgden.

Ik was erg nerveus. D. had nog voorgesteld dat ik een inleidend praatje zou houden, maar dat wilde ik niet, muziek moet voor zichzelf spreken. D. hield zelf een korte introductie en ging toen spelen.

Ik zal dat moment nooit vergeten. Het liefst had ik me overal en nergens verstopt, had ik het publiek willen wegtoveren. Tegelijkertijd was ik razend nieuwsgierig naar de reacties. D. speelde prachtig (al vond ik het tempo nog steeds te hoog), zijn spel was beheerst, zijn timing redelijk goed. Hij wist het met gevoel en spanning te spelen. Ik was hem dankbaar dat hij mijn stuk zo serieus nam.

Na enige tijd (het stuk duurt ongeveer twintig minuten) kwam er toch wat geroezemoes. Enkelen uit het publiek begonnen veelzeggend naar elkaar te glimlachen en op de horloges te kijken. Ik was er bang voor geweest, maar gelukkig bleef het beperkt tot een kleine groep. D. sloot af met een mooi gevoel voor verstilling, even kon men een speld horen vallen in de zaal. Toen kwam er een welwillend aplausje. Ik maakte dat ik wegkwam.

Nooit zou ik zoiets weer doen, ik was kapot van de spanning, ik had het gevoel gehad volkomen naakt te staan voor de hele wereld. Ik hoorde in de wandelgang wat lullige opmerkingen, anderen beperkten zich tot de constatering dat ze het wel wat lang hadden gevonden. Teveel herhaling, vond een ander. Eén studente had het meditatief gevonden en voor die reactie was ik haar dankbaar. D. feliciteerde mij, ik heb hem eindeloos staan bedanken voor deze vriendendienst.

De angst die ik voelde voor het oordeel van anderen, dat had ik nog nooit zo intens gevoeld. Nooit zou ik meer op een dergelijke wijze in het middelpunt willen staan.

De volgende avond schreef ik een verslagje aan H.. Uiteindelijk zou ik het driedelige stuk aan haar opdragen, maar zover was het nog niet. Ik miste haar ontzettend de dagen na het Open Podium. Ik was flink uit balans en ik merkte dat ik haar vriendschap meer dan ooit nodig had. Zij bevond zich buiten mijn musicologenwereldje, die afstand had ik nodig. P. stimuleerde me uiteindelijk om haar te bellen en dat deed ik. Ze kwam met het voorstel om me op te zoeken in Bosch en Duin, nog voor mijn vakantie naar Taizé.

Afgezien van P. en mijn ouders, kwam er maar zeer zelden iemand mij opzoeken in mijn kamer in Bosch en Duin. Het was mijn wereld, mijn thuis en mijn kluis, de plek, hoe eenzaam ook, waar ik veilig was en volkomen mezelf kon zijn. Wie daar binnenkwam, betrad mijn wereld. Ik hoopte, dat ik die dag iets van het gevoel terug te kunnen vinden dat ons toen in Taizé zo had verbonden.

Het werd een buitengewoon surrealistische dag. Het was prachtig weer en nadat we wat gedronken hadden, stelde ik voor wat te gaan wandelen in het bos. We liepen richting Zeist en zodra we een paadje hadden gevonden dat nu eens niet naar een villa leidde, zijn we het bos ingelopen. We deden wat wij het beste konden: praten, ouwehoeren, lachen. We liepen in hetzelfde tempo. Soms keek ik even opzij en dan dacht ik: wie ben jij? waarom jij? waarom niet wij?

Misschien kwam het, omdat we zo inelkaar op gingen, dat we niet merkten dat het weer betrok. Toen de eerste druppels vielen, besloten we dat het verstandig zou zijn terug te gaan. Alleen, we konden de weg terug niet vinden, we waren verdwaald. Toen we bij een golfterrein uitkwamen, besloten we te zoeken naar een eventueel clubgebouw. Dat vonden we, we waren ondertussen drijfnat van de regen. Ineens begon H. te rennen naar een auto op het parkeerterrein, overlegde met de bestuurder en wenkte me toen. De bestuurder was beduusd, hij had mij niet gezien en ineens zat hij met twee verzopen katten op de achterbank die een lift van hem kregen. Het zette ons af bij een Chinees restaurant, vlakbij Zeist en omdat het nog steeds regende, besloten we om maar naar binnen te gaan. Het zag er wel heel erg luxueus uit van binnen. Terwijl H. naar het toilet ging om zich wat te drogen, kwam er een ober naar mij toe. Wat wij kwamen doen. Wat doe je zoal in een restaurant, vroeg ik voorzichtig. Dat wij eigenlijk niet gekleed waren voor zijn restaurant, maar als wij na een drankje zouden vertrekken, hij er verder geen probleem van zou maken. Het liefst was ik meteen opgestapt, maar een blik naar buiten vertelde me dat dat nog niet verstandig was. Toeval of niet, onze drankjes waren op toen het buiten opgeklaard was.