Bosch en Duin 1986-1989 II (12)

Door onze omzwervingen was de middag snel verlopen. We hadden niet veel meer tijd om in Bosch en Duin te blijven, want we wilden in de mensa in Utrecht eten.

Bij de mensa wachtte ons opnieuw een verrassing: het was gesloten. Natuurlijk, het was maandag, dan is het altijd gesloten! Moe van het vele lopen wilden we niet te lang meer zoeken naar een goedkoop restaurantje, dus kozen we de eerste pizzeria die zich aandiende. Daar zaten we dan als een verliefd stelletje in een donker hoekje aan een te klein tafeltje, brandende kaars tussen ons in. De hele dag hadden we plezier gehad, hadden we eindeloos gepraat. Nu waren we moe, we hadden honger, we zwegen. H. was desalniettemin vrolijk, ze kon de stilte aan, ik ditmaal niet. Je bent mooi als je níet boos kijkt, probeerde ze me op te vrolijken, maar ik begreep haar niet. Ik ervaarde plotseling een enorme kloof. Ik keek in haar mooie bruine ogen, ze straalden, en ik vroeg me opnieuw af: wie ben jij eigenlijk? Waarom kwam jij op mijn pad? Waarom?

De pizza en de wijn deden me goed. We hadden afgesproken dat we nog een film zouden gaan kijken. Ik mocht haar verrassen met mijn keus; later, als ik haar weer eens in Amsterdam zou bezoeken, zou zij een film uitzoeken. Terwijl we naar filmtheater 't Hoogt liepen, vertelde ik haar over de film die we gingen bekijken.

We gingen naar Du mich auch, een Duitse film over twee verliefde straatmuzikanten. Eigenlijk kunnen ze niet samenleven, maar ze willen de pijn van een scheiding ook niet. Wanneer ze bij een schnabbel verdacht raken van moord, moeten ze op de vlucht. Het is een hilarische film, avontuurlijk, in zwart-wit. Nooit zal ik de scène vergeten waarin Julia aan Romeo vraagt Du, Romi, findest du mich noch erotisch?

Terwijl menig stelletje in de filmzaal tegenelkaar aan kropen, bleven wij louter vrienden. Ik was te ernstig en te verwachtingsvol om toe te geven aan mijn gedachten, voor H. zou het te vluchtig zijn en het einde van een vriendschap. Dus gebeurde er niets. We genoten van de film en keken elkaar zo nu en dan lachend aan.

Na afloop wisten we nog een rustig plekje te vinden in café 't Neutje. We vonden elkaar weer terug, de film had voor de nodige ontspanning gezorgd. Toch voelde ik de bitterheid van het naderende afscheid, deze mooie dag met mijn dierbaarste vriendin zou spoedig voorbij zijn. Het was zo anders gelopen dan ik had gedacht: ik stond boven op een berg, ik genoot van het prachtige zonovergoten uitzicht, maar was me tevens voortdurend bewust van de gapende afgrond.

Toen we op het station op de trein naar Amsterdam wachtten, ervaarde ik het weer. We waren verschrikkelijk dichtbij elkaar, maar de onderlinge afstand was tegelijk enorm groot. Het evenwicht dat we deze dag gevonden hadden, was breekbaar. Misschien waren we die dag pas vrienden geworden.

Terwijl de trein langzaam over het helverlichte emplacement in de verte verdween, voelde ik een enorme leegte in me opkomen. Ik keek om naar het bankje waar we tegen elkaar aan gewacht hadden op de trein. Nu was er alleen nog maar afwezigheid.

Een paar dagen later zat ik zelf weer in de trein naar de plek waar het allemaal begonnen was. Ik ging voor de vierde maal een week naar Taizé, de laatste maal met een groep vanuit mijn voormalige middelbare school. Over dit bezoek heb ik al kort eerder (zie 671) geschreven. Het markeert een begin van een afscheid, een afscheid van een wereldbeeld wat tevens in zekere zin ook een afscheid van Bosch en Duin was. Meer nog dan mijn behoefte aan alleenzaamheid moest ik een knagende honger erkennen, een honger naar verbondenheid met mensen.

Einde van deel II.