Mijn lagere school lag aan de rand van het dorp. Vanaf het schoolplein kon ik uitkijken over de weilanden en zag ik boerderijen omgeven door bomen, dorpen met kerken op terpen, koeien en schapen en soms een boer met zijn tractor aan het werk op het land.

Het was een wereld met een horizon. Altijd was er die streep in de verte die de hemel liet beginnen boven de aarde. Op die grens zag ik de wereld zich als een silhouet aftekenen tegen de hemel. Het markeerde ruimte en leegte.

In de tijd van de middelbare school werd die horizon al minder. Na twee kilometer fietsen raasde aan de andere kant van de sloot een snelweg. Na het volgende dorpje zag ik dan links de gebouwen van vliegbasis Leeuwarden zichtbaar worden, daar werkte mijn vader. Eenmaal in de stad was er van een horizon geen sprake meer.

Nu woon ik al langer in de Randstad dan erbuiten. Ik ben gewend geraakt aan het gemis van een horizon, letterlijk en figuurlijk, maar mijn innerlijk behang blijft het landschap van Friesland. Niet alleen de weilanden met de boerderijen en de dorpjes met de kerktorens, maar vooral ook de hemel erboven, een hemel waarin nog een God woonde. De hemel waarlangs in de herfst zo prachtig de donkere wolken kwamen aanzeilen boven de lage horizon.

Het raakvlak tussen hemel en aarde intrigeert mij. Daar vindt het schimmenspel plaats tussen de mens en de natuur, daar botsen de redelijkheid en de religieuze luchtfietserij. Maar dan moet er wel uitzicht zijn en stilte, zodat ik niet tegen muren oploop.

Ooit, ooit ga ik terug! Nu vind ik het slechts waar ik thuis ben: in mijn gezin, onder vrienden, soms in een mooi boek of muziek. Maar vooral: daar waar ik kan herinneren.