Ik rijd mijn oudste zoon van zwemles naar huis. Ik moet opschieten want ik ga aansluitend naar de schaakclub en ik wil daar niet te laat aankomen.

"Papa, jij hebt vanavond de laatste avond van het toernooi, hè?"

"Ja, vanavond zijn de laatste twee ronden."

"En je staat tweede en je moet tegen de nummer één en tegen de laatste?" S. blijkt het schema van mijn groep dat ik thuis had laten slingeren goed bestudeerd te hebben.

"Dat klopt, dat wordt nog best moeilijk hoor, want het zijn beide goede spelers."

Even is het stil. Ondertussen ontwijk ik een fietser die toch maar besloten had door rood te gaan.

"Maar eerst moet je tegen de nummer één en als je die wint, dan eindig je toch bovenaan? En als je remise speelt en wint van de laatste, dan win je toch ook?"

"Dat klopt, jongen, dat zou mooi zijn hè? Maar als ik verlies is het ook niet erg hoor, dan heb ik toch wel een gezellige avond gehad."

"Ja, maar als je wint sta je bovenaan!"

Weer is het stil. Ik draai de parallelweg op en ik realiseer me ineens dat mijn zoon me iets wil vertellen: hij wil trots zijn op zijn vader, zoals mijn vrouw en ik trots waren op hem toen hij 'per ongeluk' snelschaakkampioen van de regionale schaakbond werd in zijn leeftijdscategorie.

S. kan trots zijn, ik werd eerste in mijn groep. Speciaal voor hem.