In het boek van Yra van Dijk, Leegte, leegte die ademt. Het typografisch wit in de moderne poëzie, las ik de woorden van J.H. Leopold: 'de zuiging van de leegte die blijft als het geloof weg is'. Het geloof na het geloof schrijft Van Dijk erachter (blz. 119). Mijn gedachten vliegen meteen naar het bankje onder de boom naast de kerk in Taizé (zie 671).

Het verhaal gaat dat Boeddha verlichting bereikte onder een boom. Ik zeg wel eens dat ik verduistering bereikte onder een boom, ik zag God sterven, vlak voor mijn neus.

Onzin natuurlijk. Ik ben niet zomaar in een oogwenk, precies daar, van mijn geloof gevallen, als een soort omgekeerde satori. Het is een mooi beeld, een beeld dat ik graag koester, maar het kantelmoment in een overtuiging valt nu eenmaal niet te reconstrueren. Het besef komt pas later, wanneer het moment allang voorbij is. De wet van traagheid lijkt ook voor de menselijke geest te werken: men trapt op de rem, maar het duurt even voordat men stilstaat.

In Taizé ben ik de rem gaan intrappen, maar ik ben nooit tot stilstand gekomen. Ik zag God niet sterven, ik zette hem tussen aanhalingstekens. Hij was niet langer een realiteit, maar een fantasievolle mogelijkheid.

Wat ik mooi vind aan duisternis, is de belofte van een zonsopgang. Uit mijn hoofd, maar niet zeker: Nietzsche schrijft ergens dat filosofie moet zijn als een wolkenloze hemel op het middaguur. Ik vergeef het hem, ik houd niet van die helverlichte sereniteit, ik houd van een invallende duisternis met overdrijvende wolken.

Het geloof na het geloof. De leegte die het verlies van god achterlaat, men kan somberen over de afwezigheid, men kan de leegte ook zien als een creatieve ruimte. Religie als kunst. Niet vergeten dat wij de kunstenaar zijn en dat niet het kunstwerk ons gaat bepalen. Laten we Genesis omkeren: niet God schiep de eerste mens Adam, Adam was de eerste mens die God schiep.

De nachten worden weer langer!