Het was een ouderwetse stoel, die stoel van mijn grootvader. Het oogde massief en had kleine vierkante poten. Het zitvlak was enigszins bol, de rug laag en liep schuin naar achter en de armleuningen zaten hoog en waren gebogen. Geen leer, maar een harde stof met relief. Ik vond de stoel niet mooi, maar hij zat heerlijk en hij straalde degelijkheid uit.

Dat de stoel van mijn grootvader was geweest, sprak tot mijn verbeelding. Ik heb mijn beide grootvaders niet gekend. De vader van mijn vader was bij mijn geboorte al jaren dood, de vader van mijn moeder (en om hem gaat het hier) stierf enkele maanden na mijn geboorte. Hij heeft mij nog gezien en vastgehouden. Helaas betaat er geen foto van hem en mij. Misschien hebben we elkaar wel aangekeken in die stoel, de stoel waarin ik in mijn jeugd zoveel boeken gelezen heb.

Ik schijn op hem te lijken, vooral en profil. Het zou me niet verbazen dat het niet de enige overeenkomst zou zijn. Afgaande op verhalen is hij de enige in de familie waarbij ik enige culturele belangstelling kan ontwaren. Hij las (streekromans, in de Friese taal) en bezocht wel eens theatervoorstellingen.

Eigenaardig is dat ik herinneringen aan hem heb. Het zijn geconstrueerde herinneringen, overblijfselen van heldere dromen die ik op latere leeftijd van hem had. Dan zie ik mezelf bij hem op schoot zitten als baby en het volgende moment speel ik achter zijn stoel in de erker in het huis in Assen. In die erker stond een boekenkastje, met schuine zijkanten om het passend te maken onder het raam. Ik keek naar hem op en was enigszins bang voor die man. Toch glimlachte hij.

Zijn stoel heb ik niet meer. Maar ik lees de krant nog wel eens aan de eettafel, net als hij altijd deed volgens mijn moeder. Gisteravond moest ik eraan denken toen ik mijn oudste zoon aan de eettafel geconcentreerd een boek zag lezen.