Ik maak nooit wat mee, dat begijpt u natuurlijk wel. Ik lees immers alleen maar boeken die niemand wil lezen. Ik ben daar heel gelukkig mee. Verontrustend is dan wel dat er in korte tijd twee incidenten in mijn leventje plaatsvinden.

Het eerste incident was door mijn onwetendheid tamelijk onschuldig. Zo liep ik gisteren het Spui op in Amsterdam, staat er ineens een camera voor mijn neus en wordt er een microfoon voor mijn mond gehouden. Of ze mij wat mochten vragen. Nou ja, ach, waarom ook niet, het is een mooie rustige zomerdag nietwaar? Of ik die en die op televisie zou kunnen vervangen? Ik verstond de naam niet goed en ik vroeg om wie het ging. Nou, die en die (ik verstond de naam nog steeds niet goed en er ging ook geen lampje branden) van het programma Nederland in beweging, dat kent u toch wel, zou u zijn plaats willen innemen? Ik begon te grimlachen en antwoordde dat ik het programma niet kende en zeker niet sportief ben. De mevrouw met de microfoon droop af, mijn antwoord was duidelijk niet bruikbaar.

Ondertussen ben ik erachter gekomen dat het om Karl Noten ging. Karl Noten is een bekende Nederlander (een BN'er schijnt zo iemand tegenwoordig te heten), die elke ochtend een gymnastiekprogramma presenteert (presenteerde, zo begrijp ik ondertussen). Hij wordt ervan verdacht kinderporno op zijn computer te hebben gehad. Had ik dat maar geweten, mijn antwoord aan die mevrouw met de microfoon was een geheel andere geweest. Want, wie verdacht wordt van het in bezit hebben van kinderporno is natuurlijk ogenblikkelijk veroordeeld. Zo gaat dat in een beschaafd land als Nederland, waar iedereen weet wie Karl Noten is, maar niemand kan uitleggen wat een 'rechtsstaat' is. De rechter mag misschien nog anders oordelen, het leed is al geschied. Een integer programmamaker laat het recht zijn loop hebben en schenkt daar hooguit behoedzaam aandacht aan. Dan ga je niet willekeurige voorbijgangers vragen of hij de plaats van Karl Noten in zou kunnen nemen. Dat soort ranzige televisie, daar wil ik niets mee te maken hebben.

Het tweede incident vond vanochtend plaats in de trein. Ik laat altijd iedereen voorgaan bij het instappen, er zijn toch voldoende zitplaatsen. Het nut van het als eerste bij de deur staan om als eerste de trein te kunnen betreden, ik zie de zin ervan niet en de amusementswaarde van al die haastige en onrustige mensen die dat elke ochtend weer heel belangrijk vinden is voor mij ook al gedaald tot nul. Ik laat geen gelegenheid voorbijgaan om me te distantiëren van dat absurde gedrag van anderen.

Vanochtend dan kreeg ik een pijnlijke illustratie van waar dat wedstrijdelement toe kan leiden. Een jonge man en een wat oudere heer liepen voor mij de trap op van de dubbeldekstrein. Ze hadden ruzie waarbij de jonge man de oudere heer verweet geduwd te hebben bij het instappen. De oudere heer ontkende en bezwoer de jonge man zich niet zo aan te stellen: er was toch voldoende plek in de trein? De jonge man voelde zich niet serieus genomen, adrenaline en testosteron deden hun werk, er werd geduwd en gesjord, er werd tegen tassen getrapt. Ik probeerde nog een beetje met 'heren, heren, is dat nou nodig?' tussenbeide te komen, maar dat lukte natuurlijk niet. Een welgemikte kaakslag van de jonge man beëindigde het incident.

De oudere heer zat behoorlijk aangeslagen op de bank. Voorzichtig vroeg ik of het een beetje ging, me welbewust van de ongelukkige formulering. Mijn aandacht werd niet op prijs gesteld en ik werd op onbeschofte wijze uitgekafferd. Ik besloot de meneer maar in zijn eigen sop gaar te laten koken, ik was duidelijk niet de aangewezen persoon om hulp te bieden. Terwijl ik een plekje zocht zag ik allemaal nieuwsgierige blikken achter rugleuningen verdwijnen. Velen hadden gezien, niemand had iets gedaan, zoals dat gaat in onze multimediale wereld: je hoeft alleen maar te kijken, niets te doen. Terwijl ik probeerde tot rust te komen, vroeg ik me af of ik nog naar die meneer toe moest gaan. Hij zou immers aangifte kunnen doen van openlijke geweldpleging, getuigen genoeg. Ik deed het niet en toen ik in Amsterdam uitstapte zag ik hem nog zitten op het balkongedeelte, uitkijkend naar zijn tegenstander. Ik hoop maar dat hij niet het recht in eigen hand neemt.