Voorin het boek heb ik mijn naam en Zeist, ma. 28 juni 1993 genoteerd. Achter de letters Z en e van Zeist zie ik nog vaag de letters U en t, schijnbaar wilde ik aanvankelijk Utrecht opschrijven. Ik moet diep in mijn geheugen graven, wat deed ook al weer in dat jaar? Ik woonde dus nog in Zeist, maar ik studeerde al niet meer. Het was de tijd waarin ik werkeloos was, de tijd tussen studie en vervangende dienstplicht. De tijd ook dat ik alle aandacht kon schenken aan mijn vriendin die ik een aantal maanden eerder ontmoet had, zij woonde in Utrecht, vandaar waarschijnlijk de verschrijving.

Waarom kocht ik het boek? De schrijver Hans Faverey (1933-1990) was al een aantal jaren dood, waarschijnlijk waren daarom de Verzamelde gedichten uitgebracht en had ik in het NRC of in De Groene (of allebei), lovende besprekingen gelezen? Ik weet het niet meer, maar de mooie eenvoudige vormgeving van De Bezig Bij zal ook een rol gespeeld hebben. Veel gelezen heb ik niet in het boek. Toch zijn er gedichten die me geraakt hebben, want later heb ik op briefjes wat noten geschreven om op de tekst liederen te schrijven. Meer dan die paar notities is het nooit geworden, maar ze zitten nog steeds in het boek.

Yra van Dijk besteedt in haar boek Leegte, leegte die ademt een heel hoofdstuk aan Faverey, een reden voor mij om het boek weer eens uit de kast te halen. Overigens is de titel van haar boek ontleend aan een gedicht van Faverey: (...) Waarom schoonheid dan niet ontdaan / tot leegte, leegte die ademt. (...) (blz. 585). Weer vallen de notities met noten uit het boek en opnieuw constateer ik dat die ideeën bewaard moeten blijven, het ziet er niet slecht uit. Misschien moet ik er een keer wat mee doen, de gedichten van Faverey staan dichter bij mij dan ik dacht en ik zou daar muzikaal best iets mee kunnen.

Ik ging op zoek naar andere gedichten dan waar ik indertijd door geraakt was. Citaten in het boek van Yra van Dijk hadden me een beautiful demon doen herinneren. Vreemd dat die gedichten me in 1993 niet waren opgevallen, toen het gemis soms nog pijnlijk was.

Waar zij zich nu bevindt, nu

weet ik niet. Net als zij

aan mij denkt, toevallig, denk
ik misschien niet
aan haar. Zo is er, juist

als er niets is, altijd

wat. Door de beweging
te loochenen
red ik het zelfs

hier niet, nu niet.

Hans Faverey Verzamelde gedichten, 354

Het gedicht is onderdeel van de reeks Uitdrijving en ik zie de humor daar wel van in. Mooi die centrale 'zin' Zo is er, juist // als er niets is, altijd // wat. Lezen tussen de woorden, de muziek tussen de noten, denk ik dan even. De reeks bestaat uit zeven gedichten en verwijzen onderling naar elkaar. De laatste gaat zo:

Zij bukt zich

om iets op te rapen:
want zij had wat laten vallen.

Om haar zich zo zo te zien bukken

heb ik haar iets laten vallen.
Voor zij het vertrek verlaat
en mij achter zich dicht trekt,

laat ik het haar nog éen keer doen.

En zo is het goed: meer niet.
Eindelijk: wees weg.

Het ga je goed.

idem., 357

Ik kan me voorstellen dat iemand gefascineerd raakt door deze gedichten. Het is prachtig, je kan erin wonen! Nu begin ik te begrijpen waarom ik indertijd nog wat laatste pogingen heb gedaan om te componeren, juist bij deze gedichten. Wanneer ik het laatste gedicht uit de bundel lees, voel ik een verwantschap die ik wellicht veertien jaar geleden slechts intuïtief gevoeld heb. Volgende week ben ik een weekje alleen thuis met mijn jongste zoon. Ik denk dat ik dan maar eens achter de piano ga zitten en ga luisteren wat er komt.

Zonder begeerte, zonder hoop
op beloning, ook niet uit angst voor straf,
de roekeloze, de meedogenloze schoonheid

te fixeren waarin leegte zich meedeelt,
zich uitspreekt in het bestaande.

Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.

idem., 655