Geert Wilders is de politicus van de kitsch. Achter zijn xenofobische retoriek schuilt een beeld van Nederland dat nooit bestaan heeft en nooit zal bestaan. Het is hetzelfde beeld dat Jan-Peter Balkenende koestert, maar waar ik bij onze minister-president nog een te goeder trouw kan vermoeden, daar proef ik bij Wilders nog slechts kwade trouw.

Het Nederland van louter braaf burgerschap heeft nooit bestaan. De clichébeelden appelleren aan tijden dat alles zo goed ging in Nederland, toen we nog ons stoepje schoonveegden, met twee woorden leerden spreken en beroepen met gezag nog vervuld werden door heren. Wilders beheerst de technieken om met deze beelden te spelen, om de onderbuikgevoelens te activeren. Het is een beproefd recept en het werkt, omdat de beelden en gevoelens veilig en bekend zijn. Het is gemakkelijk, het doet geen beroep op gezond verstand. Het is de politiek van de vogelverschrikker vermomd als lachende tuinkabouter.

De kunstenaars in de politiek, de politici die nieuwe beelden en geluiden durven presenteren, hebben het moeilijk. We hebben ze nodig, de mensen met visie, de eigenwijzen, de politici die nieuwe oplossingen voor oude problemen durven ontwikkelen, nieuwe verbanden durven leggen, anders durven zijn, tegen de stroom in. Tegen kitsch valt niet te vechten, we kunnen er louter kunst tegenover stellen, zelfrespect en zelfbeheersing bewaren en hopen dat mensen hun ogen en oren weer leren gebruiken om te zien en te luisteren. Ik vind het moeilijk om hierin optimist te zijn.