Muziek doet rare dingen met mensen. Hoe vaak ben ik niet op mensen gestuit die, gevraagd naar hun favoriete muzieken, helemaal lyrisch worden. Muziek is dan pure emotie. Muziek is iets dat je moet voelen, daar kun je niet over praten. Daar zijn geen woorden voor, ook zo'n heerlijke dooddoener. Muziek is door zijn weinig concrete materiaal moeilijk grijpbaar en daarom zou het de hoogste kunstvorm zijn. Muziek gaat diep in je ziel, zeggen sommigen. Weer anderen gaan dan vervolgens een stapje verder: muziek is transcendentaal, muziek verheft, het brengt je op een ander niveau, in een andere bewustzijnsdimensie wellicht. Het enthousiasme van gepassioneerde luisteraars naar muziek neemt dan religeuze vormen aan, muziek is dan een medium geworden naar een andere, metafysische wereld.

Raar iets hoor, muziek. Eng ook wel dat muziek niet louter mooi, indrukwekkend kan zijn, maar dat je er helemaal in op kan gaan en als sublieme ervaring jou helemaal bij de lurven grijpt. Ik ben altijd huiverig geweest voor dit soort ervaringen, dat je ergens in op kan gaan, ergens in kan verdwijnen. Daarom komt het waarschijnlijk nooit helemaal goed tussen mij en het boeddhisme.

Toch zijn dit soort ervaringen mij niet vreemd. Beter gezegd: ik denk dat ik dit soort ervaringen heb gehad. Maar of het nu door de muziek komt of door mezelf, daar ben ik niet helemaal uit. Ik sluit me niet af voor dergelijke ervaringen, maar ik stel me er evenmin nadrukkelijk voor open. Niet dat ik ongevoelig ben voor muziek, integendeel, maar ik weiger aan te nemen dat een gedicht of een schilderij of wat dan ook, niet een vergelijkbare ervaring zou kunnen creëeren.

Het is een typisch negentiende eeuwse manier om over muziek te praten. In oudere tijden deed men over het algemeen niet zo hysterisch over muziek. Ergo: in de barok stond muziek onderaan de esthetische ladder. Aan het einde van de achttiende eeuw, begin negentiende eeuw kantelt de waardering voor muziek. Het wordt een autonome kunstvorm die niet meer in dienst staat van een broodheer, niet meer louter functioneert in de eredienst of op feesten en partijen, of gewoon als deuntje op de achtergrond terwijl men tafelt. Ineens lijkt muziek wel de ultieme uitdrukking van de lijdende, geniale kunstenaar (model Beethoven) en dient het in stilte sacraal ondergaan te worden. Ik heb het idee dat we daar begin eenentwingste eeuw nog niet helemaal van genezen zijn. Nog steeds laten we ons graag bedwelmen door muziek of willen we op z'n minst zo over onze favoriete muziek praten, als uitdrukking van onszelf. Het is dan immers een kwestie van smaak waar niet over te twisten valt, omdat het gestoeld is op een (emotionele, metafysische) ervaring waar je nu eenmaal niet over kunt spreken. Discussie uitgesloten en daarmee meteen ook een goed gesprek helaas. Dat zegt meer over onszelf, dan over muziek.

Iemand die in de negentiende eeuw een exemplarische tekst geschreven heeft over deze religieuze muziekervaring is Arhur Schopenhauer (1788-1860). In zijn boek Die Welt als Wille und Vorstellung (1819, in 1844 aangevuld met deel 2) wordt naast zelfmoord, opgaan in de muziek als enige mogelijkheid gezien om te ontsnappen aan de voortrazende wereldwil. Ik ga hier de visie van Schopenhauer niet proberen uit te leggen, maar het is onmiskenbaar een prachtig voorbeeld van romantische muziekesthetiek, ingekaderd in zijn filosofische taal.

De nauwe verwantschap tussen de muziek en het ware wezen van alle dingen levert ook de verklaring voor het feit dat wanneer we bij een of ander tafereel, een of andere handeling, gebeurtenis of omgeving een bijpassende muziek horen, deze muziek ons de meest verborgen betekenis ervan lijkt te onthullen en zich presenteert als het meest adequate en duidelijke commentaar op dit alles. Het verklaart eveneens waarom het iemand die zich helemaal overlevert aan de indrukken van een symfonie, voorkomt dat hij alle mogelijke voorvallen uit het leven en de wereld aan zich voorbij ziet trekken; maar als hij erover na gaat denken, kan hij geen gelijkenis ontdekken tussen dat muziekstuk en de dingen die hem daarbij voor de geest staan. Want zoals gezegd is het verschil tussen muziek en alle andere kunstvormen, dat de muziek geen afbeelding is van de verschijning, of preciezer gezegd, van de adequate objectiviteit van de wil, maar een onmiddelijke afbeelding van de wil zelf en dat ze dus van al het fysische in de wereld de metafysische kant weerspiegelt, en van alle verschijnselen het ding-op-zichzelf. We zouden de wereld dus met evenveel recht belichaamde muziek als belichaamde wil kunnen noemen.

Arthur Schopenhauer De wereld als wil en voorstelling 1, 395

Staat u mij toe dit prachtige onzin te vinden.