de eeuwige terugkeer (9)

Van donderdag 29 mei tot ongeveer 23 juni 1879 verblijft Nietzsche in Wiesen, in de omgeving van Davos. De eerste datum is zeer zeker omdat Nietzsche het gastenboek van hotel Bellevue op die dag heeft getekend. Er is nog slechts één andere gast, een zekere heer Hirzel, die al 10 tot 12 weken in het hotel verblijft.

Het plaatsje Wiesen ligt op 1450 meter hoogte in het kanton Graubünden. Het was geen bekend toeristenoord, maar wellicht hebben de schoonouders van Franz Overbeck Nietzsche dit verblijf getipt. In ieder geval is dit de eerste plaats waar Nietzsche sinds zijn vertrek uit Basel wat langer verblijft, ruim drie weken. De grote zoektocht naar de juiste klimatologische omstandigheden waarin hij het minste last van zijn hoofdpijnen zou hebben is begonnen. Nietzsche is nu een rondtrekkende vrijgezel zonder eigen huis en baan. Hij houdt zich bezig met de vraag hoe hij zijn leven nu wil gaan inrichten.

Op 30 mei schrijft hij een brief aan zijn zus in Basel. Elisabeth is schijnbaar nog steeds bezig met het opruimen van het huishouden van Friedrich.

Aan Elisabeth Nietzsche in Basel (briefkaart)

[Wiesen, 30. Mai 1879]
Freitag.

Es ist schön hier (Adr.: Wiesen, Graubünden, Hôtel Bellevue), aber Deinem Bruder geht es schlecht, - Föhn. Ich esse heute nicht zu Mittag. - Wald, wie wir ihn wünschen, giebt es auch hier nicht. Aber wo! - Seit unsrer Trennung war die arme Maschine in schlimmster Verwirrung. Der 70 stündige Anfall, unausstehlich, mit bösem Vor- und Nachtag. Vier Tage gar nicht geschlafen. Heute zum ersten Mal. - Um so schlimmer fühle ich mich heute. - Ein Herr ist außer mir im Hause. (In Zürich war Barometer 751: wir hatten in Bern doch 765. 751 was das Minimum in Europa, nach den Zeitungen) Die Matratze und die Decken verkaufe nicht, übergieb sie gerollt an O[verbeck] zur Aufbewahrung. Auch viell[eicht] mein Eßgeräth. – Ach, liebe Schwester, es muß eben gehen, aber schwer heb ichs. Ich denke an unser Bremgartner Schloßleben mit recht herzlicher Dankbarkeit.

Lebewohl, meine Liebe Gute!  F N.

KSB 5, 413

Nietzsche spreekt over zijn lijf als die arme Maschine. Hij is zijn eigen arts geworden, hij experimenteert voortdurend met zelfbedachte diëten. Later zal hij evenzeer bekend worden als 'arts van de cultuur'. Nietzsche als filosoof die zijn tijdperk de temperatuur neemt en probeert een diagnose te stellen. Hij is niet alleen bezig met zijn eigen ziekte, maar tevens met een decadente, zieke maatschappij.

In de Nachlaß bevinden zich aantekeningen uit juni-juli 1879. Ook hier komt de maschine-metafoor terug, weliswaar in een ander verband:

40[4]
   Die Maschine controlirt furchtbar, daß alles zur rechten Zeit und recht geschieht. Der Arbeiter gehorcht dem blinden Despoten, er ist mehr als sein Sklave. Die Maschine erzieht nicht den Willen zur Selbstbeherrschung. Sie weckt Reaktionsgelüste gegen den Despotismus – die Ausschweifung, den Unsinn, den Rausch. Die Maschine ruft Saturnalien hervor.

KSA 8, 578-579

In Der Wanderer und seine Schatten - zijn eerstvolgende publicatie - komt een vergelijkbare passage voor:

220.
Reaction gegen die Maschinen-Cultur. – Die Maschine, selber ein Erzeugnis der höchsten Denkkraft, setzt bei den Personen, welche sie bedienen, fast nur die niederen gedanklosen Kräfte in Bewegung. Sie entfesselt dabei eine Unmasse Kraft überhaupt, die sonst schlafen läge, das ist wahr; aber sie giebt nicht den Antrieb zum Höhersteigen, zum Bessermachen, zum Künstlerwerden. Sie macht thätig und einförmig, – das erzeugt aber auf die Dauer eine Gegenwirkung, eine verzweifelte Langeweile der Seele, welche durch sie nach wechselvollem Müssiggange dürsten lernt.

KSA 2, 653