Het begint zolangzamerhand een traditie te worden op zondagochtend. Zo rond half tien gaan M. en ik een stukje fietsen. Al is M. wat groot voor het voorstoeltje, het is wel veel gezelliger. En zo kunnen we makkelijker babbelen onderweg.

Over de Amsterdamsestraatweg fiets ik met M. Utrecht uit. Bootjes kijken langs het Amsterdam-Rijnkanaal, al is het daar nooit druk op zondagochtend. Soms een enkele binnenvaartschipper, soms een plezierbootje. 'Kijk boot,' roept M. dan, 'dat is een grote'. We hebben besloten dat de boten die aan wal liggen nog slapen.

Bij de sportvelden gaan we rechts. We fietsen dan als het ware tussen de voetbalvelden door, slechts een sloot aan beide kanten scheidt ons van de sportieve mens. Meestal zijn er geen acitiviteiten, de vogels in de bomen of op het water hebben het rijk alleen. 'Sloot?'. 'Water in de sloot?' 'Ja, kijk, er zwemmen vogels in de sloot.'

We kruisen de Norbruislaan en fietsen Oud-Zuilen binnen. Daar is het zo stil op straat dat het lijkt alsof iedereen nog op een oor ligt. Soms hebben we geluk en gaat de oude Plompbrug open voor wat bootverkeer in de Vecht. Nu is het seizoen voorbij en is er geen varende boot meer te bekennen. Over de brug gaan we rechts, fietsen het oude kerkje voorbij en zwaaien naar Belle die in Slot Zuylen ongetwijfeld al achter haar schrijftafel heeft plaatsgenomen. 'Dag Belle, daag!'

De Vecht. Ooit een belangrijke verbindingsroute tussen Utrecht en Amsterdam. Wie langs de Vecht woonde was rijk, het zal er in vroeger eeuwen een drukte van belang zijn geweest. Nu alleen in de zomer door de toeristen op de fiets of in de plezierjachten. Zo op een willekeurige zondagochtend zie ik alleen eenden, ganzen, zwanen en een hoop watervogels waarvan ik de naam niet weet. 'Kijk M., wat een mooie zwaan.' 'Vogel!' 'Nee, een zwaan. Zo'n eend met een nek van een giraf. Een girafeend.' 'Vogel!'

Op de Vechtdijk is het heerlijk stil. Soms komt me een groep kwebbelende hockeymeisjes tegemoet. Soms loopt er iemand een hond uit te laten. Vissers zitten er meestal ook al vroeg. Afgelopen zondag waren er veel rennende mensen, waarschijnlijk had iemand een workshop 'joggen op de Vechtdijk' georganiseerd. Ik zag de verhitte gezichten en was blij dat ik niet hoefde mee te rennen. Dan maar wat overgewicht.

Bij de jaagpaal stoppen we altijd even; de Vechtdijk was ooit een jaagpad voor de trekschuiten. We eten allebei een koekje. Als we verder fietsen zwaaien we naar de koeien. 'Goedemorgen dames!' 'Boeoeoeh!'

We fietsen Utrecht weer in. Tegenwoordig fiets ik een stuk verder door. Na wat oude schepen komen nu de woonboten. Links moet ergens nog verborgen Fort aan de Klop liggen, een oud verdedigingswerk uit de tijd van de Waterlinie. Verderop passeren we het oude toegangshek en de theekoepel van buitenplaats Roosendaal. Vergane glorie, midden in de stad. Het oude huis bestaat inmiddels niet meer, de laatste delen zijn in 1970 afgebroken. 'Kijk M., daar is Ziekenhuis Overvecht, daar is je grote broer geboren.'

Dan, over een bruggetje, verandert de Vechtdijk in het Zandpad. De woonboten hebben nu rode verlichting achter de ramen. Schaarsgeklede dames etaleren zichzelf voor de heren in langsrijdende auto's (kinderstoeltjes achterin). Tijd om linksaf te slaan, omhoog, om dan over de Marnixbrug weer richting huis te gaan. In de oude wijken vermaken we ons met de vele verkeersdrempels in de weg. 'Warempel, alweer een drempel! Hoei, omhoog! Hoei, omlaag!'

Thuis zijn de anderen van het gezin ondertussen ook wakker. M. en ik zijn lekker fris van ons fietstochtje. Even wat drinken en dan weer spelen.