Ik moet het ergens in het begin van 2002 geschreven hebben, waarschijnlijk voor het clubblad van de schaakvereniging.

Woensdagochtendkater

Schaken gebeurt in het hoofd. Het verplaatsen van de stukken op het bord vomt slechts een fysieke neerslag van wat gedacht werd. Het zichtbare is slechts een stand van zaken van wat gedacht werd door twee tegenstanders. Het schaken bevindt zich in het geheugen, wat op het bord staat is een geheugensteuntje. Men kan ook heel goed zonder bord en zonder stukken schaken. (Vergelijk muziek: de noten op papier zijn niet de muziek, het helpt de muzikant muziek te reproduceren. Of literatuur: de letters op papier zijn niet het verhaal - bibliofielen zijn dan ook fetisjisten.)
Het achteraf analyseren van een partij haalt het gedachte voor een deel weer boven. Maar ook datgene wat niet gedacht werd en wat men beter wel had kunnen denken. Daarvoor kan men gereedschappen gebruiken: boeken van schakers die het weten kunnen en computerprogramma's die goed kunnen rekenen en veel informatie kunnen tonen. En dan zijn er nog de gedachten van de omstanders: zij dachten vaak beter, zij waren de stuurlui.

Is dit alles wat een schaakanalyse inhoud en vorm geeft? Waar is het onredelijke, het psychische, het intuïtieve (wat is dat toch?)? Waar zijn de processen die de illusie creëren dat ik het ben die schaakt, dat ik het ben die de beslissingen neemt, dat ik het ben die analyseert? Waar is de schaakblindheid en de schaakdoofheid (niet luisteren naar je eigen stuurman)? Kortom: waar komt toch al die ruis vandaan?

Het kan boeiend zijn om te weten wat er allemaal precies gebeurt als men schaakt. Als men zijn eigen partij analyseert kan men nog redelijkerwijze reconstrueren wat men zelf gedacht heeft, maar wat er allemaal door het hoofd van de tegenstander gespookt heeft ... Maar hoe de gedachten ook vorm krijgen, waarom de gedachten die kant uitgaan en niet een andere ... het zijn voor mij raadselen. Wat boeiend is aan schaken is hoe die twee denkende breinen de illusies van elkaar voortdurend verstoren op het bord.

Maar ondanks de ruis hoop ik beter te gaan schaken als ik mijn eigen partijen analyseer, hoe onbeduidend het partijtje soms ook is. Als ik verlies: waar had ik het beter kunnen doen? Als ik win: waar had mijn tegenstander beter kunnen doen? Het analyseren van een partij is work in progress, het werk is nooit af. Een eigen schaakpartij analyseren is ook: zelfanalyse, voor wie lef heeft.

Je hebt van die schakers. De partij is nauwelijks beëindigd, je hebt gewonnen en je tegenstander gaat onomwonden staan aantonen dat hij eigenlijk altijd beter gestaan heeft en dat het gewoon domme pech was. Zo'n schaker behoort veroordeeld te worden tot de sofa. Of: schakers van het onbeleefde type "bedankt voor de les", zij zouden geen toegang moeten hebben tot een schaakvereniging, nog niet eens tot het toilet ervan. Zij hebben "iets" niet begrepen.

Schaakanalyse is zelfanalyse. Schaken is een mentale sport, geen denksport. Wat het denken voor schaken is is de bal voor het voetballen: je moet er vooral tegenaan trappen. Uiteindelijk gaat het om degene die trapt, de schaker. En zo de zelfanalyse slechts stuit op tijdelijke waarheden (nooit op De Waarheid), zo bestaat de finale schaakpartij ook niet. Er moet elke keer opnieuw geschaakt worden, in de hoop iets dichter bij het ontraadselen van het mysterie schaken te komen. Of je nu Garry, Vladimir of Jan Willem heet, dát is voor alle schakers hetzelfde.