Ik herinner me de laatste week van 1996 en de eerste dagen van het nieuwe jaar. Het was koud, er was sneeuw. Mijn vrouw en ik, nog maar enkele maanden getrouwd, verlieten onze bovenwoning slechts voor het park of de winkel. Verder lazen we, keken wat televisie of luisterden muziek en deden spelletjes: zij won altijd met Yahtzee en ik altijd met Triviant. Verder was het wachten, de tijd voorbij laten gaan, het zal toch niet lang meer duren? En terwijl het land de schaatsers toejuichte langs de elf steden, werd ik vader in een operatiekamer van een Utrechts ziekenhuis.

Ik herinner me juni en juli 2005. Het was warm, 's avonds stonden de tuindeuren open om wat verkoeling binnen te laten. Ik luister naar de années de pèlerinage van Franz Liszt. Ik vind op een video een opname van De Verzonkenen, over Jeroen Brouwers en zijn boek De laatste deur. Tot op een ochtend de vliezen braken en ik 's middags in een operatiekamer in een ander Utrechts ziekenhuis voor de tweede maal vader werd van een zoon.

Het is herfst nu. De dagen beginnen met mist, het is fris, maar als de zon doorbreekt is het aangenaam weer. Er is weinig wind. Ik moet gewoon werken. Thuis blader ik door de nieuwe aanwinsten in de boekenkast. Mijn vrouw vindt dat ik vaker piano moet spelen. Nocturnes van Chopin natuurlijk. Een paar dagen geleden keken we naar Hamlet van Franco Zeffirelli, een film op dvd, ik had het mijn vrouw op haar verjaardag cadeau gedaan. To be or not to be. We slapen in met de muziek van Anthony Holborne en zijn The tears of the muses. Das Leben kann so prachtvoll sein schiet me uit een nummer van Rammstein te binnen.

Morgen. Nog één nachtje slapen.