Ik kan me niet herinneren dat ik naar de kerk moest van mijn ouders. Ik ging vrijwillig, ik luisterde graag naar het kerkorgel en ik vond het ritueel, vooral de voorspelbaarheid ervan, wel aangenaam. En die man daar op de kansel, die een half uur lang iets over een tekst uit de Bijbel vertelde, daar was ik ook van onder de indruk. In mijn tienerjaren ging ik vrijwillig naar de catechisatie, ik vond de onderwerpen boeiend.

Toch deed ik dat alles niet zozeer uit overtuiging, het was ook sociaal wenselijk gedrag. Daarnaast wilde ik me onderscheiden van mijn leeftijdsgenoten, net zoals ik naar klassieke muziek luisterde en Grote Literatuur las. Het was voor mij vanzelfsprekend en door die vanzelfsprekendheid werd het overtuiging. Pas in mijn adolescentie, in mijn studiejaren, won de twijfel van de gewoonte. Ik heb nooit strijd hoeven leveren, ik dacht er wel veel over na en ik kon het mijn dierbaren uitleggen als ze ernaar vroegen.

Of er nu wel of geen God bestaat, doet niet ter zake. Wie een vriendelijk leven wil leiden, zou geen beloning moeten willen in een hiernamaals. Men kan de motivatie ook uit zichzelf halen. Ik heb eenvoudigweg begrip voor mensen die wel kerk en God nodig hebben om hun religieuze gevoelens een vorm te geven. Of een zenboeddhistische retraite. Of een gebed op vrijdagavond in een moskee. Intolerante mensen zijn niet alleen mensen met religieuze levensovertuigingen, je vindt ze in alle hoeken en gaten.

Ik prijs me gelukkig dat ik zonder problemen naar Into great silence kan kijken of naar Kantates van Bach kan luisteren. Of de nieuwe vertaling van De imitatione Christi van Thomas a Kempis kan lezen. Waar velen ongemakkelijk worden van de hoge dichtheid Jezus en God, daar kan ik genieten van de prachtige stijl van Thomas a Kempis in de vertaling van Paul Silverentand.

Thomas a Kempis De navolging van Christus