Het is het moment wanneer het applaus verstomd en de pianiste haar handen boven het klavier houdt om te beginnen. Verwachtingsvolle stilte. Zoals ook wanneer hij het pistool heft en de schaatsers gereed staan om weg te schieten. Ontlading. Of het licht dat uit gaat in de bioscoop, het scherm licht op en men ziet het aftellen op het doek.

Zo was er een huis. Niet van deze tijd en niet van deze wereld. In dat huis een kamer, een lege kamer, zelfs geen gedachte erin. Op een weerloze dag, waarop er woorden vallen en blijven liggen. En er is een venster.

Ik herinner me dat venster in Bosch en Duin. 's Ochtends deed ik de gordijnen open: geen applaus, geen schot, geen aftellen. Een voortdurende verwachtingsvolle stilte in mijn leven dat ik alleenzaamheid noemde. In de avond terwijl de nacht het venster vult zie ik dan mijn spiegelbeeld. Ik zie de nacht en mijn gezicht / wat binnen is en buiten / wordt verward.

Dan is er ook een 'ze'. Een meisje – een verloren geliefde wellicht? – of een dochter? Haar lach snijdt een venster / uit mijn herinneringen.

Op een morgen zal ze het venster
open zetten naar de wereld
en kijken hoe ze alles
heeft achtergelaten.

Ze slaapt in mijn armen, mijn kleine dochter. Ik ga op de bank zitten, kijk even naar het donker buiten. Het boek dat ik had klaargelegd pak ik op en even proef ik het moment voordat ik het boek opensla. Het geluid van regen buiten. Dan lees ik soms is een vermoeden genoeg om zeker te zijn van niets. Ik daal af in mijn herinneringen.

Pas wanneer ze mij roept, ben ik binnen
en is zij in de tuin, de buitenkant
van haar bestaan. Ze heeft een vogel
gevonden; een andere vogel dan de
vogels in haar hoofd. Hij ligt onder
de lindeboom die haar jaren ringt.

Pas wanneer ze achterom kijkt, als
naar een herinnering, terwijl verdriet
zich vermomt in wat ze zingt, maak
ik me los uit het spiegelbeeld en
stap naar buiten. In haar blik huist
een vader. Ik zie het meisje dat ze is.

Pas wanneer ze vraagt wanneer zij
en ik dood gaan, is het voorbij.
Het zonlicht heeft het huis overgenomen
en ik weet niet waar ik moet beginnen
Zij raapt de vogel op uit het gras
en gooit hem in de lucht.

Jan Geerts Soms is een vermoeden genoeg
in: Het liegend konijn, 2006/2, 37-44