Marjoleine de Vos schreef in Revolver een prachtige brief aan Hadewijch.

Misschien, denk ik soms, maar ik zou dat niet licht tegenover iemand anders dan u uitspreken, misschien heeft God me zijn vrede wel geschonken. Het is een heel andere vrede dan ik altijd dacht. Hij lijkt eerder op intensivering. Het is of mij de ogen zijn opengegaan. Of het eindelijk zo is dat mijn handen doen en ik ben het werk, mijn ogen zien en ik ben het landschap – zonder voortdurend hinderlijk besef van afstand. Natuurlijk is de scheiding niet voor altijd opgeheven, dat kan niet. Maar in het doen, in het bestaan voel ik (...), een heel sterk appel, als dat het woord is, misschien is het wel wat u minne noemt. Het is als het ware onontkoombaarder geworden om te leven, te luisteren, te zien, alles te ondergaan. Het moet, niet omdat ik het mezelf opleg, maar omdat het nu eenmaal moet.
(...)
Wat wíj kunnen doen, is blijven kijken, naar het leven. Het volop willen. Het beminnen, wat het ons ook brengt.

Marjoleine de Vos
in: Revolver 135, 55