Zou er ooit een eerste keer geweest zijn dat iemand de vraag waarom stelde? Zou diegene het zelf opgemerkt hebben dat hij die vraag als eerste stelde? Waar moet een levend wezen aan voldoen om die vraag te kunnen stellen? Bewustzijn? Zou de vraag al vaker gesteld kunnen zijn, zonder dat iemand zich daarvan bewust was? Taal? Is taal een voorwaarde om die vraag te kunnen stellen? Of kan iemand volstaan met een gevoel, zonder dat dit gevoel in taal te vatten is? Geheugen? Is het mogelijk dat iemand ooit die vraag stelde zonder dat hij zich dat kan herinneren? Had het stellen van de vraag ooit een evolutionair nut?

Waarom ben ik? Zou het voorbehouden zijn aan mensen om deze vraag te stellen? Draagt het bij aan het welzijn van de steller van de vraag? Word ik er gelukkiger van als ik deze vraag stel? Of zou de tegenstelling gelukkig niet-gelukkig niet bestaan als ik deze vraag niet zou kunnen stellen? Geen (zelf-)bewustzijn, geen taal, geen herinnering?

Kan het zijn dat de vraag steeds vaker gesteld wordt? Wordt de vraag vaker gesteld als de welvaart toeneemt? Of als het welzijn afneemt? Neemt de kwaliteit van de antwoorden op de vraag toe? En hoe zouden we dat kunnen weten?

Vele antwoorden zijn op de waarom-vraag gegeven. Er zijn mensen die weten dat zij de juiste antwoorden hebben op de vraag. Zij geloven in de juiste antwoorden, hetgeen zoiets betekent als besloten hebben dat de antwoorden die zij geloven de juiste zijn. Sommigen zeggen dat ze weten dat ze juist zijn, er is geen twijfel, er mag geen twijfel zijn, de twijfel is opgesloten, gevangen gezet, alsof de twijfel een gevaar vormt voor de samenleving. Er wordt vaak een beroep gedaan op intuïtieve wijsheid, wijsheid die ooit verloren is gegaan, maar is teruggevonden. Het is vast wijsheid uit een tijd dat nog niemand de waarom-vraag stelde. Mensen die geloven zijn vaak heel gelukkig met de antwoorden die zij hebben. Het geeft richting, ze hoeven er niet meer over na te denken, ze hebben geen last meer van een grote onzekerheid, er kan geleefd worden. Zij voelen zich verrijkt, anderen voelen zich verlicht. Het kritisch verstand is voor die mensen verdacht, want het ligt in de natuur van het verstand om te twijfelen en dat mag niet, daar zou je wel eens ongelukkig van kunnen worden en dat moeten we natuurlijk niet hebben, dat was de bedoeling niet.

Er zijn ook mensen die niet gelukkig zijn met geloven alleen. Zij willen redeneren, zij willen nadenken, twijfelen. Zij willen kijken, proeven, ruiken, voelen en horen en al die informatie bijeen brengen om te kijken of het antwoord op de vraag wellicht ergens verborgen is en nog slechts door goed na te denken ontsluierd kan worden. Elke keer wanneer zij denken een antwoord gevonden te hebben nemen ze de proef op de som, kan het ermee door? Zij vinden antwoorden, maar nog geen antwoord op de waarom-vraag. Maar wellicht is elk antwoord een stap in de richting van het ultieme antwoord. Ooit zal de formulering van het antwoord gevonden worden. Ooit zal de waarschijnlijkheid van een antwoord omslaan in de zekerheid van een antwoord. Deze twijfelaars zijn verklede gelovigen, zij stellen de zekerheid van het antwoord alleen maar uit. Ooit komt het antwoord, ooit komt de verlichting, ooit komt de Messias. Niet de twijfel is gevangen, maar het antwoord, alleen de sleutel moet nog gevonden worden.

Ik wil niet oordelen. Ik weet het antwoord niet. Soms denk ik wel eens dat de vraag stellen de vraag beantwoorden is: ik ben om me voortdurend af te vragen waarom ik ben. Dat is niet vreemd, want de geschiedenis van de antwoorden op de vraag vind ik mateloos intrigerend. De vraag is namelijk een onuitputtelijke bron.

Maar soms overvalt me het droevige gevoel, dat er eenvoudigweg geen antwoord is. En als er geen antwoord is, is er geen vraag. De vraag stellen we alleen maar, omdat het een bijprodukt is van ons bewustzijn, het denken in tegenstellingen, het verschil tussen mijzelf en niet-mijzelf. Wie het bewustzijn doorbreekt met paradoxale vragen en ervaart dat eigenlijk alles één is (en zelfs dat niet), die zal de vraag niet meer stellen, maar louter nog een boterham smeren om te eten. Die zal weten dat achter het gordijn van verscheidenheid een eenheid schuilgaat en dat die verscheidenheid en eenheid dezelfde zijn.

Ik zou dat jammer vinden. Het is juist die verscheidenheid en het stellen van de vraag die ik zo waardevol vind. Eigenlijk wil ik de vraag, maar het antwoord niet. De vraag is zo intrigerend en mooi, omdat het antwoord onkenbaar is. Dat moet zo blijven, de mens moet blijven zoeken, de weg bewandelen, kijken proeven voelen horen ruiken, het gesprek voortzetten dat volgde op de eerste die de waarom-vraag stelde. Na de dood zien we wel weer verder. Of niet.