Ze kijkt nogal nors. Ze kijkt alsof ze zich afvraagt waar ze nu weer terecht gekomen is. Wat is dit voor wereld? Wat zijn dit voor rare mensen die me elke dag uit mijn bed tillen, de fles geven en me verzorgen? Toch, als ze voldaan is en je brabbelt tegen haar, dan lacht ze en niet een beetje ook. Dan stralen die grote blauwe ogen en doet ze pogingen om met geluiden vanalles te vertellen.

Ze lijkt op haar vader, mijn dochter. Ik kan me nog dagelijks vervreemd voelen op deze wereld. Na veertig jaar kan ik me nog steeds afvragen: hoor ik hier wel? Is er geen vergissing gemaakt? En toch, ik weet het, kan ik ontspannen en vrolijk zijn als iemand de moeite neemt om door die norse blik heen te kijken. Ondertussen lukt het me ook aardig om rond te blikken met een ironische glimlach. Meer zit er soms niet in, vrees ik.