Ik kan heel kinderachtig zijn, buitengewoon kinderachtig, als het gaat om Nederlandse auteurs die ik niet lezen wil. Daar is de onuitstaanbare mediapersoonlijkheid Arnon Grunberg en zijn fantoomliteratuur, ik zal geen boek meer van hem lezen. Velen zullen roepen dat ik mezelf daarmee tekort doe, ik heb er geen boodschap aan. Hetzelfde geldt min of meer voor de columnpjes en boekjes van Joost Zwagerman. Sinds ik ooit tijdens de Nederlandse Filmdagen in filmtheater 't Hoogt naast hem kwam te staan en hem heb horen brallen als een corpsbal met een stuk in de kraag, hangt er een grote schaduw over die vent. Ik kan hem met goed fatsoen niet meer serieus nemen, al is het incident meer dan vijftien jaar geleden. Maar er is een ander incident met een auteur, een auteur die toen nog onbekend was. Dit incident heeft nauwelijks een paar minuten geduurd, maar is eeuwig in mijn olifantengeheugen gegrift.

Het gebeurde in een tijd dat ik nog geregeld met mijn schrijvende vriend G. naar de bioscoop ging. Na afloop van zo'n film zochten we dan vaak een café om tot diep in de nacht te ouwehoeren over film, literatuur, filosofie, politiek of wat er verder maar ter sprake kwam. Ik ken weinig andere mensen met wie ik op deze wijze van gedachten kan wisselen.

Op zo'n avond waren we terecht gekomen in café De B., bekend als het schrijverscafé van U. Het was druk die avond, te druk naar mijn zin, maar met roken en drinken hield ik het aardig vol. G. en ik waren zoals altijd helemaal verdiept in ons gesprek toen ineens een jongeman tussen ons instond die het woord tot G. richtte. Ik moest een stap achteruit doen, zo bot maakte hij ruimte tussen G. en mij. Ik was beduusd en ik zag dat ook G. verlegen was met de situatie. G. kende hem wel, dat was duidelijk. De jongeman begon een gesprek over een dichter die kort daarvoor een ongeluk had gehad en die G. kende uit de redactie van één of ander literair tijdschrift. Ik draaide ondertussen stoïcijns een sjekkie en toen G. de gelegenheid had, attendeerde hij de jonge inbreker op mijn aanwezigheid en stelde me voor. Vanuit een enorme arrogante hoogte werd me een hand aangereikt met de vraag of ik ook schreef. Meteen was duidelijk dat van het antwoord een grote waarde zou uitgaan: zou ik ontkennen, tsja, dan was ik een onbeduidend persoontje, zou ik bevestigen, dan zou ik mogelijkerwijs interessant voor hem kunnen zijn. Maar ik antwoordde naar waarheid: nee, ik lees alleen wel eens wat. Wat ik dan wel las. Ach, antwoordde ik, de meesterwerken van G. natuurlijk en nam nog een flink hengst aan mijn sjekkie, ik liet mijn lichaamstaal zoveel mogelijk desinteresse uitstralen. Dat G. daarbij het gesprek ook niet stimuleerde, was een teken voor hem dat hij teveel was. Even snel als de inbreker tussen ons was gekomen, was hij ook weer vertrokken. Wellicht had hij een andere interessante schrijver gezien, waarmee hij even moest netwerken.

Ik keek G. met zoveel mogelijk ironie aan en vroeg hem wie toch dit onstuimige talent was. Dat was Tommy Wieringa. Nooit zal ik een boek van hem lezen.