Op een dag moet ik me gerealiseerd hebben dat ik natuurlijk ook zelf een verhaal kon schrijven. Ik herinner me dat ik een leeg schrift pakte en begon een verhaal te verzinnen. Het werd geschreven vanuit de belevingswereld van het kind dat ik nog was. Er was een vader en een moeder, een zus en een broer, net zoals in mijn dagelijkse leven. Het verhaal speelde zich af in de grote stad, waarschijnlijk gingen we winkelen. Ik gaf mezelf een heldenrol. Niemand mocht het verhaal lezen, dat weet ik ook nog. Schijnbaar had ik het schriftje niet goed verstopt, want toen ik een keer de woonkamer binnenkwam zat mijn oudere broer luidkeels uit het schrift voor te lezen en lachte me uit. Het aanwezige publiek lachte mee. Ik probeerde woedend het schrift af te pakken: ik schaamde me voor mijn kinderlijke verhaal. Ik voelde me vernederd en het was het einde van mijn schrijven, althans van mijn onbevangen schrijven. Ik heb het mijn broer nooit vergeven. En nog steeds weerhoudt de angst mezelf onsterfelijk belachelijk te maken mij van het schrijven van fictie. Misschien wanneer de afstand groot genoeg is, zal ik ooit proberen die beelden en teksten in mijn hoofd op papier te zetten. Ik zal er zorg voor dragen dat het schriftje dan op een veilige plek verstopt is.