De kerstman gaf me een dagboekje. Zo'n dagboek waarbij elke dag al voorgedrukt stond, het kon slechts een jaar bevatten. Het had een sluiting met een sleuteltje. De bladzijderanden waren goudkleurig en door het materiaal waardoor het goudkleurig was, plakten de bladzijden enigszins aanelkaar als ik probeerde te bladeren. Ik vond het niet mooi, het was kitsch, maar dat woord kende ik toen nog niet. Toch heb ik erin geschreven en ik schreef in de wetenschap dat een ander het ooit wel een keer zou lezen. Zo schreef ik in mijn boosheid soms onaardige dingen over mijn moeder en daar had ik dan later weer spijt van. Was het aanvankelijk de bedoeling dat ik haar met die tekst zou raken, later wilde ik dat juist niet.

Toen het dagboekje vol was ben ik het uit het oog verloren. Jaren later heb ik het gezocht en vond het gesloten en zonder sleuteltje in het nachtkastje van mijn moeder. Ik heb ervoor gezorgd dat het verdween en dat niemand het meer zou kunnen lezen. Nu vind ik dat jammer, ik had graag als veertigjarige een glimp willen opvangen van het jongetje van negen of tien jaar dat ik toen was. Misschien dat dat dagboekje een ingang geboden had naar de belevingswereld van mezelf op die leeftijd. Mijn moeder had het daarom willen bewaren, ze had het me later cadeau willen doen, maar het was op miraculeuze wijze verdwenen, zo vertelde ze me later.

Op mijn achttiende ben ik opnieuw aan een dagboek begonnen, in de examenklas van de middelbare school. Dat dagboek heb ik jaren volgehouden, tot ver na mijn studie. De noodzaak om dagelijks mijn gedachten en belevenissen op te schrijven verdween en alleen in sombere tijden wil ik nog wel eens van me afschrijven. Het dagboek ligt nog steeds voor het grijpen, maar ik noteer er maar zelden in.