Wanneer mijn ouders op visite gingen en ik nog te klein was om alleen thuis te zijn, dan moest ik logeren bij mijn beppe. Het Friese woord voor oma heb ik altijd een stom woord gevonden, misschien vond ik sowieso Fries een stomme taal. Thuis spraken we Nederlands omdat mijn vader geen Fries beheerste, maar iedereen sprak in het dorp Fries. Behalve ik. In de les op school werd ook Nederlands gesproken, maar op het schoolplein vaak weer niet. Behalve door mij. Ik dacht ook niet in het Fries, de anderen vaak wel. Ik vond het een kinderachtig, onbehouwen taaltje en ik betrap me er nog wel op wanneer ik weer in Friesland ben, dat ik de mensen die Fries spreken dommer vind. Wat natuurlijk onzin is. Het is een restant uit de tijd dat de volkstaal Fries was, maar de officiële taal, de taal van de school, de geleerdheid zeg maar, Nederlands was. Mijn moeder en beppe wilden ook nooit naar de kerk als de dienst speciaal in het Fries was. Dat hoorde niet vonden zij, godsdienst deed je in het Nederlands.

Wanneer ik dan bij mijn beppe logeerde, moest ik boeken bij mij hebben, want mijn beppe vond televisie kijken slecht voor kinderen. Er was teveel geweld op televisie, beweerde zij. Als de televisie dan uit bleef, moest ik wel lezen. Mijn beppe was weinig spraakzaam, er heerste stilte in de woonkamer en die stilte werd alleen maar onderbroken (beter: geaccentueerd) door haar geprevel en het tikken van de oude klok en het tikken van haar breipennen. Mijn beppe kwam haar tijd door met eindeloos zitten in dezelfde stoel, de stoel van pake, en het breien van sokken. Daarbij telde ze de steken. In deze stille wereld verloor ik mezelf dan maar in de verhalen van Suske en Wiske, Astrix en Obelix of Kuifje. Dat was het enige feestelijke aan logeren bij beppe, dat ik vooraf van mijn ouders een stripboek cadeau kreeg om de eindeloze tijd door te brengen.

Als ik het boek uit had, ging ik naar bed. Ik deed erg lang over die boeken. Mijn beppe sliep zelf altijd in de achterkamer en ik moest boven slapen. Dat was geen pretje. Ik ging altijd met gemengde gevoelens die trap op naar boven, naar die kamer waar nooit iemand kwam. Toch had ik het gevoel dat het er gevuld was met aanwezigheid in al die donkere hoeken. Voor het slapen gaan wilde beppe altijd nog een gebed met mij doen, alsof ik tegen die aanwezigheid beschermd moest worden. Als dan het licht uit was en beppe weer naar beneden was, luisterde ik met argwaan naar geluiden die misschien wel stemmen waren. Menigmaal stond ik op uit bed om het licht aan te doen en mezelf ervan te overtuigen dat er toch echt niets was daar in het donker. Stiekem lezen durfde ik niet bij beppe, want beppe kende god en die zag alles.