Vanochtend las ik in de trein: Albertina Soepboer verblijft op twee plaatsen: ze werkt in de Friese hoofdplaats Groningen, die aansluit op de bewoonde wereld, en ze woont in Harlingen, waar ze naar terugkeerde omwille van de zee. (Poëziekrant 2007/8/40) Ik glimlach. Daar zit een stukje in, denk ik dan. Zouden ze daar in de redactie van de Poëziekrant wel op de hoogte zijn van de animositeit tussen Friezen en Groningers? Of zouden ze al meermalen gewezen zijn op deze fout en hoef ik mijn duit niet meer in het zakje te doen? Of zal ik schrijven dat Friese voetbalsupporters gelukkig geen poëzie lezen, want anders zouden ze de burelen van de redactie in Gent wel eens kunnen komen herinrichten. Groningen de hoofdplaats van Friesland! Foei, hoe komen ze er op!

Misschien had ik daar jaren geleden inderdaad een stukje over geschreven, maar nu niet meer. Er is wat veranderd, al weet ik niet precies wat. Na de wandeling naar mijn werk weet ik, dat ik het niet zal gebruiken.

Tijdens de wandeling zie ik een zwarte kat op een stoel van een nog gesloten restaurant zitten. Als ik passeer is de kat op zijn hoede, klaar om ervandoor te gaan. Ze kijkt me aan alsof ik een slecht voorteken ben, schiet me te binnen. Zou ik van die zin een stukje kunnen boetseren, misschien in een gesprek met mijnheer Tuli die ik om de hoek in een afvalbak zie graaien? Geen inspiratie, het blijft bij die ene zin: ze keek me aan alsof ik een slecht voorteken ben ... Onthouden, wellicht komt het ooit van pas.

"Zo gaat het nu al vijf jaar, mijnheer Tuli", zucht ik. "Wat gaat al vijf jaar zo, jongeman?". "Nou dat ik steeds bij het lezen, het wandelen, de gesprekken, tijdens mijn werk of op het toilet, op de fiets of in de trein, met grote regelmaat denk: zou er iets over te schrijven zijn, zit er een stukje in? jwl als website bestaat vandaag namelijk vijf jaar, mijnheer Tuli!" "Gefeliciteerd jongen, ergens zit toch wel een schrijvertje in jou." Ja, ergens.