Op die ochtend vertrok hij naar school op de fiets zoals op zovele dagen. Hij had zijn schooltas ingepakt met zijn schoolboeken, boterhammen en wat drinken. Hij had zijn moeder gegroet en zijn oudere zus succes toegewenst met haar rijexamen later die dag. Daar ging hij, vrolijk en onbekommerd zoals jongens van vijftien kunnen zijn. Soms was hij wat eigenaardig, maar niemand die er aanstoot aan nam, het was de leeftijd.

Wat maakte, of beter: wie maakte dat hij die dag van zijn route afweek? Of had hij dat al eens eerder gedaan? Was hij uit zijn evenwicht gebracht door iets of iemand? Waarom nam hij de weg naar het station? Wat bracht hem tot deze fatale wending? Of was er helemaal niets gebeurd en had het noodlot al eerder aangeklopt in zijn leven? Hij maakte zijn fiets vast met een ketting, nam de tas met schoolboeken en boterhammen en liep het station in.

Wij zijn wie we niet zijn, en het leven is kort en triest. Het geluid van de golven 's nachts is een geluid van de nacht; en hoevelen hebben het niet in hun eigen ziel gehoord, als de hoop die voortdurend in het donker stukslaat met het doffe geluid van dicht schuim!

Als rechercheur bij de politie had hij vaak een vroege dienst en dat beviel hem wel, dan was hij 's middags weer vroeg thuis. Hij had nog gegrapt naar zijn dochter dat hij die dag extra op leswagens zou laten letten. Hij hoopte op een rustige dag, maar in de loop van de ochtend werd hij al met spoed opgeroepen. Een aanrijding met een persoon, zoals de Nederlandse Spoorwegen dat omschrijven, bij het station. Het was niet z'n eerste keer dat hij voor een dergelijke klus moest opdraven. Beheerst snelde hij zich met zijn collega's naar het station. Nog voor ze het station binnen gingen had hij één van zijn collega's erop gewezen, dat hij het vreemd vond, dat de fiets van zijn zoon daar stond.

Ken u zelf stond er op één van de wanden van de tempel in Delphi. En ook Socrates vroeg zich al af hoe iemand iets kan weten als hij zichzelf niet kent. Wie heeft er dan kennis? Ging het orakel nog uit van één ik, tegenwoordig is de gedachte dat onze ik gefragmenteerd is in vele persoonlijkheden niet meer vreemd. Ben ik dezelfde ik die een weblog schrijft, die een vader is, een collega, een vriend ... Wie van ons is ik?

Wie weet zelfs maar wat hij denkt of verlangt? Wie weet wat hij in zijn eigen ogen is?

Er werden brieven gevonden. Geen afscheidsbrieven, maar wel allemaal in hetzelfde handschrift. Ondertekend met een andere naam.

Hoeveel sterf ik als ik met alles meevoel! Hoeveel voel ik als ik zo zwerf, onstoffelijk en menselijk, terwijl mijn hart stil is als een strand, en de zee van alles, in de nacht waarin wij leven, luid en spottend beukt en wegsterft op mijn eeuwige nachtelijke wandeling aan de kust!

Fernando Pessoa Boek der rusteloosheid, 118-119