Ik zat op een terras aan het Huidenvettersplein en ik observeerde al die andere toeristen die hun vakantie in Brugge doorbrachten. Schoolreisjes en groepen mensen op leeftijd. Mijn eigen generatie leek te onbreken. Allemaal aan het werk natuurlijk. Of met de kinderen thuis, per slot zat ik daar ook met mijn oudste zoon.

En toch moest ik denken aan een uitspraak van Rüdiger Safranski dat ik ergens gelezen had: Overal heerst de mens, overal zien we onszelf terug. We lijken ons niet meer aan onszelf te kunnen onttrekken. En dat bezorgt ons heel diep van binnen een gevoel van verveling. Alles is ons bekend en juist daardoor missen we iets. (Filosofie Magazine 2008/1, 44)

Nee, ik verveelde me niet, voor verveling heb ik geen talent. Maar ik miste wel iets. Zoals men in musea aan het einde onvermijdelijk in de museumwinkel terecht komt, zo lijkt ook het oude Brugge onvermijdelijk toeristische industrie geworden. Was het me bij eerdere bezoeken ontgaan of is het in de loop der tijd erger geworden? Of vind ik het steeds moeilijker om me te onttrekken aan de indruk dat er nog meer chocolaterieën zijn en dat de menukaarten van de restaurants steeds meer op elkaar gaan lijken? Waar was de onbevangen blik van mij gebleven, een blik waarvan ik hoopte dat mijn zoon die (nog) wel zou hebben?

Voorbeeld. S. en ik bezochten de basiliek van het heilig bloed. Terwijl ik de brede trappen opging, hoorde ik een bandje. Het toeval wilde dat ik juist de basiliek bezocht terwijl men kon bidden bij het relikwie. De stem op het bandje nodigde de gelovigen uit om relikwie aan te raken met een persoonlijk gebed. Ik zag een verhoging waarop een meneer zat die tussen gehandschoende handen een voorwerp vasthield. Zo nu en dan ging er iemand naar boven die het voorwerp aanraakte, knielde, in stilte een gebed deed en weer naar beneden ging. De meneer haalde een doekje over het voorwerp. Ik bekeek het met verwondering. Toen een schoolreisje de ruimte binnenkwam vond ik het tijd om naar buiten te gaan.

Eenmaal buiten vroeg ik me af of S. zich niet had verveeld daarbinnen. Integendeel. Zoveel details, papa, zoveel details. Ik was blij, dat hij niet ongevoelig was voor de schoonheid van de basiliek, want het was me niet ontgaan dat het er erg mooi was. Maar waarom liep ik me dan nog steeds te ergeren aan die stem op het bandje? En aan de koormuziek die had geklonken, eveneens van een geluidsdrager?

Toen mijn glas leeg was, keek ik eens goed naar S. Hij was moe van al dat lopen in de warmte. Zullen we een rondvaart doen? Hij knikte, blij om even niet achter zijn vader aan te hoeven rennen. En daar gingen we, opeengepakt in een bootje, als sardientjes, luisterend naar dezelfde informatie in drie talen. Ik verlangde naar zee, naar horizon.