Je moet als je naar boven wandelt, de berg op, zo lopen dat je denkt, wat loop ik toch langzaam. Dan hoef je niet te pauzeren. Dat had een meneer tegen mij gezegd en ik volgde zijn advies op. Vanaf dat moment keek ik mijn vader steeds vaker op de rug en zag ik dat de afstand tussen ons snel groter werd. Later kwam ik hem dan weer tegen. Dan stond hij ergens naast het pad puffend en hijgend een sigaret te roken. Gaat het een beetje, vroeg ik terwijl ik hem in slow motion passeerde. Ja, ik word een dagje ouder hè, dan heb je wat minder conditie, was de strekking van zijn antwoord. Maar hij genoot van het uizicht, daar in de bergen. Dan vroeg ik me wel eens af hoe oud hij zou worden, mijn vader.

Soms scharnieren gedachten en herinneringen. Hoe was mijn vader toen ik elf was? Hoe zou mijn zoon onze vakantie in Brugge zich later herinneren? Toen herlas ik een gedicht van Miriam Van hee en kwam dat beeld in mij boven. Mijn vader die uitrust naast het bergpad, sigaret in zijn mond, fototoestel op zijn te dikke buik, zweet op zijn voorhoofd, rondkijkend. Dat ik hem passeerde en de paradox van Zeno op geheel eigen wijze invulling gaf. Ik was toen al ouder dan elf en het is net alsof dat moment, dat beeld in mijn herinnering, een keerpunt is geweest tussen hem en mij.

stapvoets

(...)

wij klommen langs smalle en stenige paden
en ook de zon klom steeds hoger zodat wij
de wereld beneden ons konden aanschouwen

er moest een meer zijn daarboven
er moesten zonnige graasplaatsen zijn
een plek aan de rand van het water
waar we vrij zouden zijn om te doen
of te laten, we konden er praten of
wachten tot onze huid zo dun werd als lucht
en wij elkaars gedachten raadden

er was geen andere weg daarvandaan
dan terug naar beneden, met zere voeten
met honger en dorst, maar toch als vanzelf,
in het avondlicht, met onze schaduwen nu
aan de andere kant

Miriam Van hee buitenland, 23