Daar kwamen ze binnen in de treincoupé. Representatief gekleed tot in de puntjes. De juiste pakken, de juiste stropdassen, de juiste schoenen. Verzorgd. Gel in haar, netjes geschoren, schone handen. En dan gaan ze zitten. Onderuitgezakt. Het gesprek begint.

Ze zien eruit als om door een ringetje te halen, maar het taalgebruik, dat zijn ze vergeten. Veel is relaxed, veel is shit man of eenvoudigweg kut. Ze hebben het over outsourcen, targets, focussen en finetunen. Natuurlijk mag implementeren niet ontbreken en iets handen en voeten geven. Ik word altijd wat onpasselijk van dit modieuze taalgebruik. Wellicht heb ik te weinig commitment met dit wereldje, maar ja, ik ben dan ook geen hipo.

Ze maken zich boos over het grote graaien aan de top. Dat valt me dan weer mee. Ze werken niet bij een commercieel bedrijf, ze moeten geld binnen halen voor een goed doel, zo leid ik af. Vandaar het uniform.

Dan is het even stil. Ik hoor ze nadenken over een nieuw onderwerp, misschien kennen ze elkaar nog niet zo goed. EK voetballen! Dat doet het altijd goed. Het gesprek raakt nu zeer geanimeerd. Over voetballer zus en voetballer zo en hoe geweldig voetballers allemaal wel niet zijn. Wat ze goed kunnen, de blessures en de belangwekkende transfers. Voetbal is koehandel.

Ze stappen uit. Ik denk nog wat na over wat ik gezien en gehoord heb. Eigenlijk een heel alledaagse scène. Dan realiseer ik me ineens, dat deze twee jongemannen, die zich zo boos maakten over gouden handdrukken, straks in dat hysterische oranje voor de buis zitten te kijken naar tweeentwinig miljonairs die op een grasveldje achter een bal aan hollen. Maar over voetballers geen kwaad woord natuurlijk. Voetbal is religie en voetballers zijn de zonen van goden. Wat jammer nou, dat ik een ongelovige ben.