De platlanders, de mensen die ervaren dat de werkelijkheid plat is. Zij zien geen diepte en kunnen alleen maar vooruitgang vermoeden. Ze gaan maar vooruit en vooruit, hun verhalen zijn louter verhalen, met een kop en een staart. Totdat ze op een dag hun eigen voetstappen tegenkomen. Hun platte wereld blijkt een bol, blijkt diepte te hebben. Er is niet alleen vooruitgang, er is ook herhaling en een terugkeer, alles is al gezien. Daarom bouwt men nu in de hoogte en krijgen de verhalen lagen onder de oppervlakte. De verhalenvertellers worden geologen en hemelbestormers.

Hoe diep kun je gaan? Wanneer zal het kleinste deeltje niet meer deelbaar zijn? Hoe hoog kun je gaan? Is er een grens aan het heelal? Wat nu als we de geologen en hemelbestormers de ruimte insturen? Zullen zij ontdekken dat een seconde in de kosmos niet overal even lang duurt? Zullen zij de buiging van het licht waarnemen als ze een zwaar object passeren? Zouden zij zich verbazen als zij in de gekromde ruimte uiteindelijk terugkomen op hun vetrekpunt? Is het universum dan onbegrensd en tegelijk in zichzelf besloten?

Is die vierdimensionale ruimte de ruimte van de fantasie, de creativiteit, een poëtische ruimte? Een ruimte waarin je brieven kunt schrijven aan iemand die lang geleden gestorven is en dat die brief dan aankomt? Een ruimte waar ik rondloop onder de bomen in Ryckevelde, terwijl ik achter mijn bureau zit in mijn werkkamer? Ik hoef mijn verbeelding maar te gebruiken om te weten dat taal geen zijkanten heeft. Taal kan om zichzelf heen draaien, ziet u. Ik ben een tijd- en ruimtereiziger in mijn eigen hersenpan. Onbegrensd en in mezelf besloten.