Het is een warme avond. De tuindeuren staan open, de wind toont de demonen in het gordijn. Er hangt spanning in de buitenlucht. Ik hoor een vage ruis met een hysterische stem erbovenuit. De televisie staat aan bij de buren.

Ik houd mijn wijsvinger in het boek dat ik lees. Pessoa. Ik verzet me tegen zijn misantropie. Mijn vrouw is in slaap gevallen op de bank. Nog een paar weken en ik zal deze tuindeuren missen, en ook de bries in de gordijnen. Ik wil er nog even van genieten, het nieuwe huis heeft geen tuindeuren.

Ik lees nog wat, maar mijn ogen worden te zwaar. Het is genoeg. Schat, ga je mee naar boven? Ik doe de tuindeuren dicht, de demonen verdwijnen. Dan breekt de hel los buiten. Ik huiver. Ze schijnen gewonnen te hebben.