Op de heenweg ging ik door de polders, de weg langs Lelystad. Kilometers onder de dijk door. Ik kijk op naar de enorme windmolens die er zijn geplaatst. Landschap gemaakt op tekentafels met linialen. Ik ken het landschap maar al te goed, mijn vader bracht me vroeger soms met de auto terug naar mijn studentenleven, dan hoefde ik niet met de trein en maakte hij van de gelegenheid gebruik om zijn moeder te bezoeken. Nu ben ik op weg naar mijn moeder en zit mijn oudste zoon naast mij. Hij heeft een Harry Potter op schoot, hij wil alle Potters achterelkaar lezen. Maar niet in de auto, dan wordt hij misselijk. Ik las ook nooit in de auto, ik genoot van het landschap, hoe gecultiveerd ook.

Ik denk weer aan Pessoa, hoe zijn boek me ergens bewust van maakt. Lezen is ook een vorm van zelfonderzoek. Ik ben mijn pessimisme kwijt. Hoe is dat zo gekomen? Waar is mijn somberheid gebleven, waarom zie ik het leven eigenlijk weer zitten? Wat maakt dat ik de laatste jaren durf te hopen dat de mogelijkheid bestaat, dat het allemaal weer goed komt. Met mij, met de mensen en de wereld.

Er klinkt Bach in de auto en luidkeels zing ik vrolijk één van mijn favoriete aria's mee: Ich freue mich auf meinen Tod, / Ach, hätt er sich schon eingefunden. / Da entkomm ich aller Not, / Die mich noch auf der Welt gebunden. Mijn zoon kijkt me verwondert aan, dat ik dat zomaar kan meezingen.

De brug over het Keteldiep is open, althans het verkeer aan mijn kant staat stil, aan de andere kant komen de auto's alweer enthousiast optrekkend voorbij. Er stappen mensen uit, ik besluit de auto maar uit te zetten en te wachten op wat komen gaat. Waarom kunnen we niet rijden? Ik weet het niet, ik hoef het niet te weten.

Als we Friesland inrijden, het panorama over de meren, kom ik weer een beetje thuis. Hoe weinig Fries ik ook ben, dit is mijn landschap, hier ben ik kind geweest.

Ik bezoek de vrouw die mij op de wereld gezet heeft, mijn moeder. Ik wil haar nog even zien voordat ze het ziekenhuis ingaat om geopereerd te worden aan baarmoederhalskanker. Zoals altijd wordt er niet over emoties gepraat. Ik weet dat ze bang is, maar ik weet ook dat ze wil vechten, dat ze wil blijven hopen, dat ze wil weten wat er van de kleinkinderen zal worden. Ik zou voor haar willen bidden, maar dat kan ik allang niet meer.

's Avonds op de terugweg neem ik een andere route, de route over de Afsluitdijk en Noord-Holland. Het waait hard, ik moet het stuur stevig vasthouden. Schweig, schweig nur, taumelnde Vernunft!, klinkt een andere cantate. De troost van de muziek van Bach. En de humor van de onbedoeld knullige teksten: Wer heut ist frisch, gesund und rot, / Ist morgen krank, ja wohl gar tot. Ik grimlach.

Het is het vaderschap, beste Fernando, het vaderschap! Hoe kan ik nog pessimist zijn als ik kinderen op de wereld zet? Dan moet je toch het vertrouwen hebben dat het leven waard is geleefd te worden? Zonder dat vertrouwen is het ouderschap immoreel. Het gaat er ook niet om of het leven doel heeft, of het leven zin heeft. De zin van de vragen naar het ware, het goede en het schone zit 'm niet in het juiste antwoord, maar in het stellen van de vraag en de oneindig aantal mogelijke antwoorden. Elk kind dat op de wereld wordt gezet is in potentie een antwoord.

Duim maar voor me, zegt mijn moeder, als ik haar nogmaals ten afscheid zoen. Ik zal aan je denken, zeg ik. Hou je taai!

Ik rij de straat in waar mijn huis staat dat steeds minder mijn huis is. Nog een paar dagen. De kinderen uit de buurt spelen op de stoep. Ik zie mijn vrouw met onze kleine dochter op de arm, onze kleine jongen fietst fanatiek op zijn driewieler, roept daar is papa!. Ik ben weer thuis.