Toen de generatie waartoe ik behoor werd geboren, trof zij een wereld aan die mensen met hersenen en een hart geen enkele steun bood. Het destructieve werk van de voorafgaande generaties had ertoe geleid dat de wereld waarin wij werden geboren ons geen zekerheid te bieden had op religieus vlak, geen hulp op moreel vlak en geen rust op politiek vlak. Wij werden geboren toen de metafysische angst, morele beklemming en politieke onrust reeds volop heersten. Dronken van uiterlijke formules, van de zuivere methoden van rede en wetenschap, hadden de generaties vóór ons alle fundamenten onder het christelijke geloof weggeslagen, want hun bijbelkritiek, die van tekstkritiek was geëvolueerd tot mythologiekritiek, had de evangelies en de eerdere boeken van de joden herleid tot een losse verzameling mythen, legenden en gewoon literatuur; hun wetenschappelijke kritiek wees puntsgewijs de fouten en grote naïviteiten van de primitieve 'wetenschap' van de evangelies aan; en de vrijheid van spreken, die alle metafysische problemen ter discussie stelde, veegde daarmee tegelijk de religieuze problemen weg voorzover die metafysisch waren. Dronken van een vaag iets genaamd 'feitelijkheid' bekritiseerden de generaties de hele moraal en onderwierpen zij alle leefregels aan een diepgaand onderzoek, en na die botsing van doctrines bleven alleen de zekerheid dat er geen zekerheid was en de pijn van die zekerheid over. Een dermate op haar culturele grondvesten wankelende samenleving kon op politiek vlak uiteraard slechts slachtoffer worden van die ongedisciplineerdheid; en zo ontwaakten wij in een wereld die hunkerde naar sociale vernieuwingen en opgewekt uitrukte voor de verovering van een vrijheid waarvan ze niet wist waaruit deze bestond, en een vooruitgang die ze nooit had gedefinieerd.

Maar terwijl het grove criticisme van onze ouders het ons onmogelijk maakte om nog christen te zijn, erfden we niet hun tevredenheid daarover; terwijl het ons het ongeloof in de heersende morele begrippen naliet, liet het ons niet de onverschilligheid jegens de moraal en de regels om menselijk te leven na; terwijl het het politieke probleem onopgelost liet, maakte het onze geest daar niet ongevoelig voor. Onze ouders vernielden vrolijk en blij, want zij leefden in een tijdperk dat nog de weerschijn van een solide verleden bevatte. Zij richtten hun vernielzucht juist op datgene wat de samenleving kracht verleende en het hun mogelijk maakte te vernielen zonder het gebouw in zijn voegen te horen kraken. Wij hebben de vernieling en haar gevolgen geërfd.

In het huidige leven behoort de wereld alleen aan de dommen, de gevoellozen en de druktemakers. Het recht om te leven en te triomferen verovert men heden ten dage bijna op dezelfde manier als waarop men opsluiting in een gekkenhuis gedaan krijgt: via het onvermogen om te denken, totale normloosheid en overspannen gedrag.

Fernando Pessoa Boek der rusteloosheid, 199-200