Na de verhuizing is mijn werkroute deels veranderd. Het station waar nu mijn treinreis begint is klein: twee perrons met ertussen twee sporen. Of ik nu naar links kijk of naar rechts, de sporen lopen kaarsrecht naar de horizon. Als ik al niet gewaarschuwd werd door de herrie van de spoorwegovergang dan zag ik wel de lichten van de trein al in de verte. De sneltreinen denderen vervaarlijk langs, stoptreinen remmen met veel ruis totdat ze piepend tot stilstand komen.

Ik ben niet de enige die op de eerste stoptrein wacht. Elke ochtend komen er dezelfde mensen. De meesten nemen daarbij dezelfde houding aan: ze lezen met gespreide armen en gebogen hoofd één van de gratis kranten. Of ze verstoppen zich? Waarom groeten we elkaar niet, we zien elkaar elke werkdag? Vreemde wereld. Toch word ik vanuit de ooghoeken vast opgemerkt, als nieuwkomer.

De trein is nog geen ochtend op tijd geweest. Het is niet erg, want ik heb voldoende tijd in U. voor het overstappen. Daar volg ik dan weer mijn oude route, de route die bij het oude huis hoorde. Soms kijk ik vanaf het perron de trap af naar beneden of ik mezelf zie arriveren. Maar nee, ik zie alleen de vertrouwde gezichten, altijd aankomend met hetzelfde loopje, wachtend op hetzelfde plekje, lezend in hetzelfde krantje. Er is niets veranderd.