Ik keek naar de sporen die achter de horizon verdwenen. Dat is het leven, dacht ik. Niet de trein die aankomt op een station, maar het spoor waarover de trein aankomt of passeert.

Ik glimlach om deze afgesleten gedachten. Allerlei associaties komen op en in gedachten bewerk ik ze. Daar is Kafka: Hier konnte niemand sonst Einlaß erhalten, denn dieser Eisenbahn war nur für dich bestimmt. Ich gehe jetzt und schließe ihn. Een ieder zijn eigen spoorweg.

Het beeld bevalt me niet, een spoorbaan ligt immers vast, alsof je geen keus hebt. Nee, dan dat verhaal van dat jongetje die de rijke advocaat de weg wees (zie 276): 'Goed, maar kun je me dan tenminste vertellen waar déze weg naartoe gaat?' 'Die gaat nergens naar toe', zegt de jongen, 'als ik 's ochtends opsta, dan ligt ie er gewoon.' Dat bevalt me beter.

De docent Nederlands had een doos vol met gedichten op briefjes meegenomen, hij gooide ze op de grond. We moesten allemaal drie gedichten uitzoeken en in een werkstuk bespreken. Daarnaast moesten we zelf drie gedichten schrijven en vertellen hoe we tot die gedichten gekomen waren.

Ik koos drie prenten van Escher en al fietsend naar huis verzon ik er gedichten bij. Helaas heb ik ze niet meer, ik liet ze lezen aan een godsdienstleraar en ik heb ze nooit terug gekregen. Ik herinner me vooral één prent. Het gedicht ging over de mensen die maar achter elkaar aanliepen in de veronderstelling vooruit te komen, maar dat ik juist die ene wilde zijn, die ene daaronder op de trap, turend in de verte, buiten het kader. Ik was vijftien. Misschien herinner ik me dit vooral omdat mijn docent Nederlands zo complimenteus reageerde. Al vond hij mijn gedichten te expliciet, toch vond hij ook dat ze een filosofische inslag hadden, die van het scepticisme.

Mijn ego was gestreeld, al wist ik toen niet wat het scepticisme nu eigenlijk inhield, ik besloot dat het bij mij zou passen. Nog steeds, want de paradox bevalt mij: het is waar is dat de waarheid niet kenbaar is. Omdat zij eenvoudigweg niet bestaat. De waarheid, dat is iets dat afgeschaft dient te worden.

Jazeker, waarde Heraclitus, u heeft gelijk: de weg naar boven en naar beneden is één en dezelfde. Maar wat ik moet ik daarmee in een platte wereld? Een wereld met spoorbanen die aan de horizon verdwijnen. Liever dan de trein te nemen zou ik op het bankje op het perron willen zitten, de treinen aan mij voorbij laten gaan en in de verte turen. Maar ik ben veertig en ik moet maatschappelijk verantwoord zijn, dus ik stap in. Die spoorbaan, die ligt er gewoon.