Er hangt een eigenaardige stilte op de gang. Ik vraag me af waar de bewoners zijn en of ik er nog één zal herkennen. Sommige deuren staan open, maar ik zie niemand binnen. Andere deuren blijven gesloten, geen geluid verraadt een mogelijke aanwezigheid van leven. Ik ga de vierde deur aan de rechterzijde binnen. Dit was ooit mijn kamer en tot mijn verbijstering ís het mijn kamer. Het staat er nog allemaal: de stoel, de tafel, de kasten met boeken, het bureau en mijn bed, de kledingkast en de koelkast (ik durf er niet in te kijken), de piano. Stof, veel stof en een bedorven geur. Verschrompelde peuken in de glazen asbak. Ik zie in de kasten boeken staan die ik vergeten was. Ik zet mijn tas op de plek waar ik vroeger de tas neerzette als ik een weekend naar mijn ouders geweest was. Ik schuif de gordijnen opzij om de deur naar het balkon te kunnen openen. Het is avond, het schijnsel van de lampen maakt de bomen tot een duistere aanwezigheid. De lucht die binnenkomt is klam. Dan gaat de telefoon op de gang. Als niemand opneemt, ga ik er zelf naar toe, maar als ik de hoorn van de haak neem, hoor ik een klik en is de verbinding verbroken. Ik loop door de gang naar de keuken - er is lekkage, er drupt water langs de wanden - om te kijken of er post is voor mij. Ik zie mijn naam niet meer op het plankje staan, maar er is maar één plankje waar veel enveloppen liggen, die moeten wel voor mij zijn. Er is iemand achter mij binnen gekomen. Dus daar ben je na al die jaren. Ik zoek naar een redelijke verklaring voor mijn aanwezigheid, maar ik kan niets verzinnen. De onbekende is alweer weg (of was zij het?). Met de stapel post ga ik terug naar mijn kamer. Ik zie nog net iemand uit mijn kamer wegrennen. Hé, wacht! roep ik, maar ze is al buiten bereik. Ik neem plaats achter de piano, doe de klep open en ik ga spelen. De piano klinkt alsof ze net gestemd is. Ik improviseer als in oude tijden. En ik speel, speel! Dan wordt het licht buiten.